Pakistan kiest overwegend voor niemand

LAHORE, 4 FEBR. De overgrote meerderheid van de Pakistaanse kiesgerechtigden liet er gisteren geen misverstand over bestaan welk van de kandidaten hun voorkeur genoot: niemand van hen. Bijna tweederde deel van de kiezers bleef thuis, omdat ze geloofden dat hun stem toch geen enkel verschil zou maken voor het land en voor henzelf. De politieke leiders van het land bedisselen onderling wel hoe ze het land besturen, intussen hun eigen portemonnee vullend op staatskosten. Waarom zou de kiezer dan nog gaan stemmen?

Aan de vooravond van de vijftigste verjaardag van Pakistans onafhankelijkheid nadert het aanzien van zijn politici het nulpunt. Een recente opiniepeiling in het gerespecteerde blad The Herald toonde aan dat in de grote steden van het land liefst 95 procent van de mensen van mening is dat politici corrupt zijn. Ruim tweederde deel van de ondervraagden achtte de tijd rijp voor een presidentieel stelsel, waarbij de macht van het parlement wordt beknot. De eersten die gisteren reageerden op deze boodschap van de Pakistaanse kiezers, waren niet hun politici maar buitenlandse waarnemers. “Tenzij de politieke cultuur van het land verandert”, aldus de Australische oud-premier Malcolm Fraser, leider van een waarnemersteam van het Gemenebest, “is de toekomst van de Pakistaanse democratie aan ernstige twijfel onderhevig.”

Om het gezag van de politici bij de bevolking te herstellen is meer nodig dan een einde aan de plundering van de schatkist en de staatsbanken alleen, al zou dat stellig een belangrijke bijdrage vormen. Wil de Pakistaanse democratie echter levensvatbaar blijven, dan zullen de politici eindelijk ook een belangrijke constitutionele hervorming moeten doorvoeren. Pakistan zal óf de positie van zijn gekozen regering moeten versterken óf zijn president rechtstreeks door de bevolking laten verkiezen.

Sinds de dood van de militaire dictator Zia-ul-Haq in 1988 zijn alle democratisch verkozen regeringen (die van Benazir Bhutto in 1990 en 1996 en die van Nawaz Sharif in 1993) stuk voor stuk vroegtijdig door de president naar huis gestuurd op beschuldiging van corruptie en wanbestuur. De niet rechtstreeks verkozen president kan dit doen op grond van het zogeheten achtste amendement op de grondwet, dat nog dateert uit generaal Zia's tijd.

Benazir Bhutto heeft er al herhaaldelijk op aangedrongen dit amendement af te schaffen en de premier en het parlement zo meer zekerheid te verschaffen. Maar ze heeft hiervoor nooit de vereiste tweederde meerderheid bij elkaar weten te krijgen. Doordat de vorige president, Ghulam Ishaq Khan, en de huidige, Farooq Leghari, dit wapen vrijelijk gebruikten en daarbij de stilzwijgende instemming genoten van een andere machtige buitenparlementaire factor, de strijdkrachten, voelt de kiezer zich keer op keer bedrogen. Het is alsof een verder vooral ceremonieel staatshoofd als de koningin in Nederland af en toe op eigen houtje een regering naar huis zou sturen.

Niets wijst er tot nu toe op dat Nawaz Sharif, die naar verwachting binnen enkele dagen de nieuwe premier zal worden, van plan is hier snel werk van te maken. Hij kan het goed vinden met president Farooq Leghari en heeft nauwelijks laten blijken dat hij zich bewust is van de morele crisis die de Pakistaanse democratie doormaakt.

Dat laatste geldt zo mogelijk nog minder voor Benazir Bhutto, wier ster de afgelopen maanden zeer snel is verbleekt. Hoewel haar in november afgezette regering algemeen tot de meest corrupte uit de geschiedenis van Pakistan wordt gerekend, blijft zijzelf tegen beter weten in volhouden dat ze juist voorop liep in de strijd tegen corruptie.

Ze weigert eveneens hardnekkig te erkennen dat ze niet langer even populair is als toen ze in 1988 voor het eerst aantrad na elf donkere jaren onder generaal Zia. Reeds voor de verkiezingen van gisteren had ze verongelijkt aangekondigd dat ze de uitslag van de verkiezingen alleen zou aanvaarden als ze won. Zo niet, dan zou ze een nieuwe protestcampagne ontketenen. Of ze woord houdt en daarmee de toch al geringe stabiliteit van het land verder op de proef stelt, moet nog blijken. Uitgesloten is dit zeker niet. Net als voor haar voornaamste tegenstrever van de laatste jaren, Nawaz Sharif, heeft het landsbelang voor haar nooit voorop gestaan, alle retoriek van het tegendeel ten spijt.

Zijn er dan op het ogenblik geen nieuwe tegenkrachten voor Benazir Bhutto en Nawaz Sharif? Nauwelijks. De voormalige cricket-ster Imran Khan voerde weliswaar fel campagne tegen de corruptie maar hij deed dat vaak op nogal wilde wijze. Zo dreigde hij corrupte politici op te hangen. Ook zijn huwelijk met Jemima Goldsmith, dochter van joods-christelijke ouders, en beschuldigingen dat hij een buitenechtelijk kind zou hebben gehad bij een Amerikaanse, deden hem geen goed. Bovendien was zijn partij te klein en te onervaren om het de twee groten moeilijk te maken.