Over de essentie van opvoeden

'Wat ben je beter geworden van je kinderen?'

Dat was de laatste én lastigste vraag die Andrée van Es gisteravond stelde aan het panel dat ze voorzat in Als je maar van ze houdt, de eerste van een serie NPS-programma's over opvoeding.

Ingeborg Bosch (psychologe): “Een rijker mens in emotioneel opzicht.”

Roelof Vos (orthopedagoog): “Voor een groot deel is het genieten, lol.”

Hannemieke Stamperius (schrijfster): “De leukste relatie die ik ooit heb gehad.”

Robert ten Brink (tv-presentator): “Ik zei vroeger: als er een brand uitbreekt ga ik naar buiten, nu ga ik terug om mijn kinderen te zoeken.”

Wim van der Beek: “Drie fantastische vrienden en twee kleinkinderen.”

Jetty Mathurin (actrice): “Drie cadeautjes voor het leven.”

Zeg me welk antwoord u kiest, en ik zal u zeggen welk type ouder u bent. Het antwoord van Ten Brink sprak mij het meest aan, als hij tenminste bedoelt wat ik vermoed dat hij bedoelt: dat je kinderen de enige wezens zijn wier geluk je boven dat van jezelf stelt.

Dit slot was meteen het aardigste moment van het programma, juist omdat de panelleden tot een persoonlijk antwoord werden gedwongen. Praten over opvoeding leidt al snel tot gratuite constateringen die het aardig doen op verjaarsvisites, maar die voor een discussieprogramma van, lieve help, anderhalf uur te weinig soortelijk gewicht hebben. Het werd dan ook een hele zit.

Een bloemlezing van die volkswijsheid-achtige meningen:

“Je maakt moeilijk contact met je kind als je dat vroeger als kind niet met je ouders had.” “Dat is het moeilijke van opvoeden: jezelf op de tweede plaats zetten.” “Voor mij betekent het houden van een kind dat je respect hebt voor de rechten van het kind.” “Houden van betekent: er zijn als ze je nodig hebben.” “De essentie van opvoeden is dat je gelukkige kinderen maakt.”

Opvoeden is kennelijk zo'n particuliere aangelegenheid dat je er moeilijk generaliserende mededelingen over kunt doen, zonder in dooddoeners te vervallen. Van de panelleden was Ten Brink degene die de aardigste dooddoeners in huis had. “Eigenlijk doe je maar wat, je blijft zo dicht mogelijk bij je gevoel.” En op de bezorgde vraag van Van Es of je tegen een krijsend kind op straat kon zeggen: 'Je doet nu wat ik zeg', antwoordde hij als enige zonder aarzelen: “Natúúrlijk zeg je dat.”

Een leuke dooddoener was ook de verzuchting van Vos die na het nodige getheoretiseer opeens uitriep: “Het is allemaal zo groot... het gaat er uiteindelijk om dat een kind de troep achter zijn reet opruimt.”

Moeten we de discussie dan verder maar aan de deskundigen overlaten? Welnee. Die zijn vaak in hun eigen leven, vrees ik, niet per se betere opvoeders dan wij leken. En voor hun adviezen moet je erg oppassen, heb ik me eens door een eerlijke pedagoog laten vertellen: ze kunnen een storende invloed hebben op de relatie tussen ouder en kind omdat ze de ouder onzeker maken.

Het blijft tobben, en iedereen tobt voort op zijn hoogst individuele wijze, op de tast en met de vermetele hoop dat het ooit wat wordt. Er zat in deze uitzending een filmpje met een paar trieste ouders wier dochter vele malen was weggelopen. Ze was als 15-jarige een relatie aangegaan met een acht jaar oudere man. Hoe los je zoiets op?

Hier hadden we een interessant 'praktijkgeval' bij de kop, en prompt zat iedereen met zijn mond vol tanden. “Dit is een schrikbeeld”, zei Ten Brink. Zeg dat wel. Ik heb eens zo'n geval in mijn omgeving meegemaakt. Intelligente mensen, normaal milieu. Het slot van het liedje: vader en dochter passeerden elkaar voortaan op het trottoir zonder te groeten - tot aan het bittere einde van de vader. De moraal (en de laatste dooddoener van dit stukje): het kan ons allemaal overkomen.