Opmerkelijke resultaten van een kwijnende industrie

Rusland heeft nauwelijks geld om wapens te kopen, maar haar defensie- industrie gaat het voor de wind. Vorig jaar was Rusland de grootste wapenexporteur ter wereld. Vanwaar dit succes, en hoe duurzaam is het?

Amerika's resterende vier mega-defensiefabrikanten - Lockheed Martin, Boeing-McDonnell, Raytheon-Hughes en Northrop-Grumman - zijn na de fusie- en overnamegolf van de laatste twee jaar compacter en sterker dan ooit. Kleinere Europese collega's als British Aerospace, Gec, DASA, Dassault en Thomson, proberen dat voorbeeld te volgen. De Russische wapenindustrie, ooit een geduchte evenknie, wordt dezer dagen geplaagd door aftakeling en verval.

Haar voornaamste afnemers, de Russische strijdkrachten zijn immers bankroet. Operationele vliegtuigen en tanks worden weinig meer gebruikt of gerepareerd door benzine- en geldgebrek. Vorig jaar had de regering in Moskou slechts twee miljard dollar beschikbaar voor nieuwe wapenaankopen, luttele procenten van het al stevig getrimde Amerikaanse budget. Intussen moeten onder- of niet-betaalde Russische militairen zich in leven zien te houden met bijbaantjes en kunnen ze voor het overige slechts waarschuwen voor 'spontane actie' ofwel 'het risico van een militaire coup'.

Voor nieuwe ontwikkelingen is er al helemaal geen geld meer. Zo is de bouw van de nieuwste MiG-straaljager door de firma Mikojan, die met zijn curieuze codenaam 'Article 1.42' de tegenhanger moest worden van Amerika's nieuwe F-22, zonder meer gestaakt. Hetzelfde geldt voor Soechoj's S32-project voor de constructie van de eerste, voor radar ongevoelige Russische 'stealth'-jager.

Des te verrassender is het dan als blijkt dat dezelfde Russische wapenindustrie in 1995 - het laatste doorgerekende jaar - als voornaamste wapenexporteur uit de bus wist te komen. Zij sleet de buitenwereld toen voor 9,1 miljard dollar aan wapens en dat is 32 procent van het wereldwijde totaal van 28,8 miljard. De VS kwamen met 8,2 miljard dollar of bijna 29 procent op de tweede plaats, terwijl de Fransen met 2,4 miljard terugzakten naar een derde positie. Deze opvallende cijfers kwamen eind vorig jaar uit de koker van de Congressional Research Service (CRS), een tak van de Amerikaanse Congresbibliotheek in Washington.

De doorslag voor het Russische wapenexportsucces in 1995 gaf de verkoop in contanten van 48 Soechoj Su-27 straaljagers - de modernste Russische standaardjager - aan China voor ongeveer 1,8 miljard dollar. Daarnaast sloten de Russen een contract met de Chinezen voor de bouw in licentie in China zelf van nog eens 200 Su-27's over een periode van vier jaar. Peking verdedigde deze gepeperde aankopen onder verwijzing naar 'de opstandige provincie' Taiwan die het afgelopen jaar begon met de afname van 150 Amerikaanse F-16 en 60 Franse Mirage-2000 straaljagers die het in de eerdere jaren negentig bestelde.

Intussen klagen Russische nationalisten in de Doema dat Rusland zijn modernste wapentuig massaal aan de voormalige Chinese vijand levert met alle risico's van dien. Ook vrezen zij dat de Chinezen later met zelf verbeterde Su-27 versies de Russen kunnen beconcurreren op de Aziatische markten. Maar Moskou zit dringend om dollars verlegen. En directeur Aleksej Fjodorov van Irkutsk Aviation, de Siberische producent van de Su-27, oordeelt dat een gerenommeerde ontwerper als Soechoj veel sneller veel betere Su-27 versies op de markt zal kunnen brengen.

Verder wisten de Russen in 1995 onder meer onderzeeboten (aan China), MiG-29 jets (aan Maleisië, Peru en India), gevechtswagens (aan Koeweit en UAE), Smertsj-raketten (aan Koeweit) en Igla-antiluchtdoelraketten (aan Brazilië) te verkopen. Daar kwam onlangs nog de omstreden verkoop bij voor ruim een miljard dollar van S-300 raketten aan Grieks-Cyprus.

Toch zei Richard Grimmet, auteur van het wapenexportrapport van de Congressional Research Service, afgelopen september tegen het vakblad Aviation Week het onwaarschijnlijk te achten dat de Russen hun leidende wapenexportpositie de komende jaren kunnen handhaven. Hij voorspelt dat traditionele exporteurs als de VS, Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk qua exportpositie per jaar stuivertje zullen wisselen en steeds intensiever zullen wedijveren om de zeldzamer wordende grote orders.

Toen Grimmet dat zei, wist hij blijkbaar nog niet dat de Russen ook in 1996 dé militaire order van het jaar zouden binnenhalen, namelijk die van India. In november besloot de rechtse regering van het Indiase Verenigde Front namelijk tot de aankoop van 40 Soechoj Su-30 gevechtsvliegtuigen (een verbeterde Su-27) voor 1,8 miljard dollar. Daarmee herleefde een al vijf jaar stagnerende maar ooit zeer intensieve defensie-relatie tussen Moskou en New Delhi. En dat is nog maar het begin. Daarna zal India waarschijnlijk nog eens zo'n 120 Su-30's in licentie in eigen huis bouwen en aast de Indiase luchtmacht op nog eens 70 à 100 MiG-AT trainingstoestellen. Voor het overige heeft Rusland New Delhi een tweede vliegdekschip, onderzeeboten, tanks en houwitsers aangeboden.

Het meest pikante is dat 22 van de 40 Su-30 toestellen die India in ieder geval koopt, zullen worden uitgerust met het revolutionaire principe van 'thrust vectoring'. Dat wil zeggen met straalmotoren die aan de uiteinden zijn uitgerust met tot 15 graden hydraulisch beweegbare straalpijpen. De door chronisch geldgebrek geplaagde Soechoj-technici ontwikkelden dit procédé nota bene met de opbrengsten van de Su-27's die zij aan de Chinezen verkochten.

Wat 'thrust vectoring' betekent konden afgelopen september de verbaasde bezoekers van de Farnborough-luchtshow bij Londen zien waar zo'n toestel die show overtuigend stal. Het toonde een onwaarschijnlijk manoeuvreervermogen en een heuse omwenteling in de techniek van het luchtgevecht. Want zo'n vliegtuig manoeuvreert een niet met deze techniek uitgeruste tegenstander binnen de kortste keren in zijn schootsveld. Vanaf 1998 krijgt India dus met de Su-30 de eerste operationele 'thrust vectored' jagers ter wereld. De Russen zelf hebben er geen geld voor. En de Amerikanen benutten deze techniek pas na 2002 als hun F-22 in bedrijf komt.

Toch neemt dit exportsucces van de Russen niet weg dat hun ooit almachtige militair-industriële complex wegkwijnt. Amper zes jaar geleden gold nog het oude gezegde: de Sovjet-Unie heeft geen militair-industrieel complex, het is zo'n complex. Nu blijkt uit officiële Russische gegevens, geciteerd in een recente uitgave van de Washingtonse Brookings Institution, dat de Russische defensie-industrie momenteel iets minder dan eentiende produceert van het volume dat ze nog in 1990 haalde. En van de vele miljoenen defensiewerkers waren er vorig jaar nog maar 600.000 over. De Brookings-uitgave, getiteld 'The Price of the Past' en geschreven door de econoom en Ruslandkenner Clifford Gaddy, meldt ook dat volgens de Russische federale autoriteiten medio 1995 meer dan 200 defensiebedrijven financieel aan de grond zaten en leden aan insolvabiliteit.

Ondanks drastische reducties van het militair-industriële complex kreunt Rusland vandaag de dag nog steeds onder zijn kosten, schrijft Gaddy die uitvoerig onderzoek deed in Rusland. Hij weet verder te melden dat er sinds de val van het Sovjet-rijk en zijn commando-economie geen echte defensiebegroting meer bestaat. Het parlement of Doema in Moskou moest het vorig jaar doen met vier A-viertjes met zeer globale cijfers. Daar komt bij dat zowel het Russische defensie-apparaat als de wetgevende macht niet de beschikking hebben over boekhoudkundige systemen die in het Westen als elementair gelden.

De Amerikaanse expert Clifford Gaddy attendeert er op dat de markthervorming sinds 1991 de voornaamste stimulans vormt voor de demilitarisering van de voormalige Sovjet-Unie. “De introductie van de vrije markt ondermijnt de speciale status van de Russische defensie-industrie door duidelijk te maken dat Rusland zich niet langer kan veroorloven om de oude militaire orde te dragen”, aldus Gaddy. “Vrije prijsvorming en concurrentie moeten doorgaan en worden aangemoedigd omdat de Russische burgers en beleidsmakers alleen dan in staat zijn te beoordelen wat de defensie-sector het land werkelijk kost in termen van kapitaal, arbeid en technologie.”

Dmitri Trenin, defensiespecialist van het Carnegie-centrum in Moskou wijst er verder op dat het ooit zo ambitieuze conversieproject om het Russische militair-industriële complex voortaan ploegscharen in plaats van wapens te laten uitbraken falikant is mislukt. “De civiele produkten die de defensie-industrie maakt zijn gewoonweg te duur omdat de kosten er nu eenmaal hoog liggen”, aldus Trenin. “De enige manier om wapenfabrikanten op de been te houden is wapens te exporteren.”

En met dat exportvermogen blijkt ondanks alle rampspoed op het postcommunistische thuisfront opvallend weinig mis, zoals de eerder genoemde rapportage van de Congressional Research Service in Washington meldt. Bij het evenzeer prestigieuze International Institute for Strategic Studies in Londen komt Rusland er met een wapenexport in '95 van 6 miljard weliswaar wat minder florissant uit dan de 9,1 miljard dollar waar de Congressional Research Service over spreekt, maar dat heeft vooral te maken met een andere rekenmethode. In Londen tellen ze de Russische wapenleveranties aan voormalige Warschaupact-partners niet mee. En die bleven toch aanzienlijk. Zo meldt het Londense instituut in zijn laatste Military Balance: “Ondanks alle verloren macht en status is Rusland nog steeds de dominante wapenleverancier van de voormalige Sovjet-republieken, exclusief de Baltische staten, en blijft het land voorname wapensystemen leveren aan Oosteuropese landen als Hongarije, Slowakije en Bulgarije.”

Onderzoeker Richard Grimmet van de US Congressional Research Service noemt oorzaken van het verrassend sterk gebleven exportvermogen van de Russische wapenindustrie. Een eerste is dat Russische wapens weliswaar goeddeels uit het verdwenen Sovjet-tijdperk dateren maar dat ze nog steeds van wereldklasse zijn. Dat geldt volgens experts bijvoorbeeld voor de MiG-29 en de Su-27 en Su-30 straaljagers, voor de T-72 en T-80 tanks, of de Ka-50 aanvalshelikopters. Dat laatste toestel, ook wel 'weerwolf' genoemd, doet volgens ingewijden niet onder voor de Amerikaanse Apache-helikopter die ook in dienst komt bij de Nederlandse strijdkrachten. Maar het Russische apparaat is wel anderhalf keer zo goedkoop en kan anders dan de Apache door één man worden gevlogen.

Verder profiteert de Russische wapenindustrie sinds 1994 van de grotere vrijheid om zelf de buitenlandse exportmarkten op te gaan. Voordien hield de staatsorganisatie Rosvoorounxheniy State Co. het monopolie op het afsluiten van exportcontracten. Maar een tiental grote wapenproducenten kroop sindsdien met de zegen van het Kremlin uit dat korset en zo'n 150 hebben eenzelfde verzoek ingediend.

Daar komt volgens de befaamde Amerikaanse 'denktank' Rand bij dat sinds 1991 het aantal kleine en doorgaans particuliere 'research & development'-ondernemingen in Rusland is geëxplodeerd. De recente Rand-studie 'Prospects for Russian Military R & D' van Sharon Leiter schatte hun aantal vorig jaar op ergens tussen de 40.000 en de 90.000. “Zij spelen een vitale rol in de groei van commerciële research & development”, aldus Leiter. “Zij nemen deel aan de vorming van techno-parken, aan technologische joint ventures met Westerse partners en aan de marketing van Russische research & development in het buitenland.”

Maar hoewel Russische technologie van hoog niveau is en de prijs-kwaliteitverhouding van Russische wapens aantrekkelijk blijkt, kleven er volgens Westerse deskundigen ook levensgrote nadelen aan. “Twee soorten defensiebedrijven boeken succes in Rusland: wapenexporteurs en joint venture-partners”, oordeelt Clifford Gaddy van Brookings. Hij waarschuwt echter dat het vooralsnog onduidelijk is hoe de Russen het op de 'globale' markten zullen doen. “Veel van wat zij de laatste paar jaar verkochten kwam uit voorraden en reflecteert slechts vroegere produktie”, aldus Gaddy. “Het is nog niet bewezen dat Russische wapens onder de nieuwe marktcondities even goed en even goedkoop kunnen worden geproduceerd als voorheen.”

Ook de defensie-econoom Digby Waller van het Londense International Institute for Strategic Studies behoudt twijfels. “Het is duidelijk dat de Russische wapenindustrie weer terrein heeft gewonnen op de wereldmarkt”, zegt hij. “Maar de Russen moeten nog bewijzen dat zij imposante prototypen op grote schaal kunnen produceren, dat zij grote commerciële projecten kunnen managen, en de juiste diensten kunnen verlenen aan de klanten. Kortom, iedereen die nu Russische wapensystemen koopt neemt nog een groot risico.” Feit is wel dat daar in China, India en in een groeiend aantal 'niet-Westerse' landen anders over wordt gedacht.