Onverbeterlijk

Hoe zou het toch komen dat ik elke dag een tikje sterker verlang naar de terugkeer van voetbal dat te lang is weggeweest van de vaderlandse competitie? En ik hoor dat sommige anderen datzelfde gevoel hebben. We juichten weliswaar de stopzetting van alle voetbalactiviteiten in december vorig jaar van harte toe, onder het motto 'even niet', maar nu februari in het land is zijn we de pauze meer dan zat.

Mijn nuchtere kant realiseert zich intussen heus wel dat er - stel dat de winterstop niet langer dan tot half januari zou hebben geduurd - in de praktijk toch weinig van voetjebal terecht zou zijn gekomen op steenharde velden waar voortdurend de kille adem van Koning Winter overheen was gegaan. Balsturig roepend dat de KNVB dat in zijn betrekkelijke wijsheid heus niet had voorzien, zapte ik avonden lang via de beeldbuis op zoek naar een verre wedstrijd. Maar de winter leek bijna overal te regeren, zodat we of bij het skiën belandden, of in van die onterechte hallen waar in Duits-sprekende landen een genre imitatie-voetbal te zien werd gegeven waarover wij met geen mogelijkheid enthousiast kunnen zijn.

Het enige echte voetbal wordt gespeeld op een rechthoek van omstreeks 100 bij 70 meter en de ondergrond dient gras te zijn. Niet het vreemde gewas dat in de Arena werd gekweekt, maar mooi, lichtgroen, kortgeschoren gras. Het veld moet egaal zijn, er mag enige zeer lichte regen vallen, waardoor de techniek van de beste spelers zich maximaal kan doen gelden. Goede, vakbekwame mits niet doodgeprate spelers kunnen dan een bezigheid verrichten die hier en daar zelfs aan pure kunst herinnert en die in elk geval toeschouwers in een staat van verrukking kan brengen. Die staat duurt niet zeer lang, want na anderhalf uur staat men weer buiten, maar zo kan het precies goed zijn. Voetbal is het echte leven niet. Het is versiering, maar goede versiering kleurt ons bestaan, dat buiten de sport ook niet permanent over rozen gaat. Eigenlijk is het dus vrij logisch, dat we terugverlangen naar een aantrekkelijk speeltje, dat half december achter slot en grendel werd gestopt en dat we snel weer in ons bezit willen krijgen. Zelfs als we ons realiseren dat lang niet elke wedstrijd reden tot tevredenheid verschafte, verlangen we er toch naar terug. Op dit moment, nu we het moeten missen, zijn we net als die Feyenoord-supporter van destijds, die krijste dat we met onze tengels van die rotclub van hem moesten afblijven. Wat immers van ons is, behoeft nog niet door anderen bekritiseerd te worden.

Het is zeer goed mogelijk, dat we straks een periode zullen beleven, waarin opnieuw van overdaad sprake zal zijn. King Soccer moge het verhoeden dat we opnieuw op de treurbuis elke dag van de week voetbal te zien krijgen, zodat het, net als vorige herfst, neus en oren uitkomt. Hogere machten dan de onze worden bij dezen beleefd verzocht ten aanzien van de kijkers enige gezonde matiging te betrachten. Het zou goed zijn, indien de altijd aanwezige commerciële invloeden wat minder storend aan de oppervlakte komen dan recentelijk het geval was. Maar ik zeg dit sotto voce, want de vips vormen een machtig leger dat niet weggeschreven kan worden. Indien er sprake is van een onjuiste benadering, ligt de fout bij ons, de liefhebbers. Wij willen de beste spelers zien en waar ze vandaan komen nemen wij graag voor lief. Vroeger vonden wij het normaal en zelfs mooi, als spelers uit een bepaalde regio hun kunsten vertoonden. Op een gegeven ogenblik opereerde er geen geboortige Volendammer meer in de keurploeg van de plaatselijke club. Zelfs een stad als Den Haag zag ooit bijna geen stadgenoot tot het eerste elftal doordringen. In de bescheiden Spaanse stad La Coruna speelden onlangs niet minder dan vijf Brazilianen in Deportivo. Daar kon kennelijk geen plaatselijke voetbalschool tegenop. Zelfs de hooggeprezen voetbalschool van Ajax kon dit seizoen, toen een handvol grote cracks elders hun goudgeld ging verdienen, niet onmiddellijk voor voldoende kwaliteit in de aanvulling zorgen.

Intussen kriebelt het van binnen. Ik wil voetbal zien. Goed en met mate, maar voetbal. Het is een eigenaardig gevoel, dat alle logica tart. Want toen het er was vervulde het ons soms met dankbaarheid, maar vaker met wanhoop. Kortom: wij zijn onverbeterlijk.