Onrust financiële markten ontluikt over muntunie

AMSTERDAM, 4 FEBR. Een vlucht in Duitse obligaties, verzwakkende valutakoersen in het zuiden van de Europese Unie en interventies door de Spaanse centrale bank: na bijna een jaar van kalmte wekt de Economische en Monetaire Unie (EMU) weer onrust op de obligatie- en valutamarkten.

Daarmee lijkt een van de belangrijkste beleggerstrends van 1996 ten einde gekomen: de convergentie, de toenadering van financiële waarden tussen noord- en zuid-Europa, in het vooruitzicht dat al die waarden binnen twee jaar opgaan in de zelfde munt - de euro.

Beleggers sloegen vorig jaar munt uit de steeds waarschijnlijker toetreding van Italië en Spanje tot de kopgroep van landen die met de EMU starten in 1999. De peseta en de lire maakten een grote koersstijging door ten opzichte van het blok van munten rondom de Duitse mark. De rentevoeten op de kapitaalmarkt van Spanje en Italië naderden die van Duitsland steeds dichter. Door de combinatie van dalende rentes, en dus stijgende obligatiekoersen, en klimmende valuta's waren op Spaanse en Italiaanse overheidsobligaties recordwinsten te behalen.

Aan dat 'convergentiespel' kwam gisteren en vanmorgen een voorlopig einde. Het renteverschil op tienjarige leningen tussen Spanje en Duitsland, dat vorig jaar nog dichtliep van 3,5 procent naar 0,92 procent, is weer opgelopen naar 1,06 procent. Het Italiaans-Duitse renteverschil liep vorig jaar terug van 4,3 procent naar onder 1,5 procent, en is sinds vrijdag opgelopen naar 1,63 procent. Een mark kost inmiddels 85 peseta, de zwakste peseta-koers sinds augustus vorig jaar. Ook de lire verzwakte, noteerde vannacht weer even op de pariteit van 990 lire per Duitse mark, die in november werd overeengekomen bij de terugkeer van de Italiaanse munt in het Europese Monetaire Stelsel.

Reden voor de ontluikende onrust is de groeiende politieke controverse omtrent de vroege deelname van de zuidelijke Europese lidstaten aan de muntunie. Minister Zalm van Financiën liet zich drie weken geleden al ontvallen dat het beter zou zijn dat de EMU begint met een sterke kopgroep, en dus zonder de zuidelijke lidstaten. Hij haalde zich daarmee de gram van de Spaanse en Italiaanse publieke opinie op de hals.

Maar uitspraken hierover die de financiële markten daadwerkelijk in beweging brachten kwamen de afgelopen week van Duitse zijde. Eerst herhaalde de Duitse staatssecretaris Jürgen Stark het standpunt dat Zalm eerder al innam. Afgelopen vrijdag liet Bundesbankier Peter Schmidthuber kritische geluiden horen over de manier waarop de voortgang naar de muntunie zich voltrekt. Hij zei dat door de groeiende weerstand onder de bevolking “de politiek-psychologische basis voor de gemeenschappelijke munt er slechter voor(staat) dan de economische voorwaarden voor de gemeenschappelijke munt.”

Ulrich Cartarelli, lid van het bestuur van Deutsche Bank zei daarop dit weekeinde in Davos dat de 400 werkdagen die Duitse banken en bedrijven nog resten voor de voorbereidingen de EMU in 1999, er wel eens te weinig kunnen zijn. Hij wees ook op de Frans-Duitse tegenstellingen over het te voeren monetaire beleid door de Europese Centrale Bank, en noemde Italië een potentiële tijdbom voor de EMU. De Duitse kabinetsadviseur Horst Siebert herhaalde gisteren in de Italiaanse pers de Duitse twijfel over Italië.

Deze waterval van Duitse bedenkingen zorgde gisteren voor verkopen van de zuidelijke valuta's en obligaties. Zeker toen Eurostat, het statistische bureau van de EU bekendmaakte dat een oordeel over de toelaatbaarheid van de speciale Italiaanse eenmalige euro-belasting, waarmee de Italiaanse regering 0,5 procent van het begrotingstekort wil snoeien, wordt opgeschort tot eind deze maand. “Het wordt tijd voor een herwaardering van de Italiaanse en Spaanse kansen,” zei een analist vanmorgen. “Tot de markt een nieuw evenwicht heeft gevonden.

    • Maarten Schinkel