Ondernemingsraad is geen centrumspits

In NRC Handelsblad van 28 januari noemt P.F. van der Heijden de ondernemingsraad (OR) “een centrumspits in de arbeidsverhoudingen, die een succesvolle wedstrijd speelt”. Hij suggereert verder dat vakorganisaties zichzelf als regisseur zien van hoofdrolspeler OR. Hoewel de OR een volwaardige behartiger van werknemersbelangen is valt hier het een en ander op af te dingen.

Een belangrijke zwakte van de OR blijft dat OR-leden de enige amateurs in ons arbeidsbestel zijn; loonafhankelijke werknemers. Hun mogelijkheid tot professionaliseren is afhankelijk van hun capaciteiten, hun inzet, maar ook van de ondernemer. De WOR biedt hun jaarlijks 60 uur voor OR-werkzaamheden. Dit is veelal te weinig, zeker in CAO-loze sectoren waar de OR ook taken uitvoert die elders door vakorganisaties worden afgehandeld. Een ruimere vrijstelling is dan ook gebruikelijk, maar ook die is niet altijd voldoende.

Van der Heijden stelt dat vakorganisaties zich sterk op OR-leden zijn gaan richten.

Logisch, OR-leden beschikken immers over hoogwaardige informatie omtrent het bedrijf. Dat neemt niet weg dat de relatie vakorganisatie-OR vele vormen kent. Zo biedt een hoog-georganiseerde OR vakorganisaties veelal de mogelijkheid om hun visie onder bescherming van de WOR uit te dragen; geen hoofdrol voor de OR. In sectoren met een lage organisatiegraad (veelal CAO-loos) ligt dit anders, vakorganisaties zijn hooguit een potentiële OR-adviseur; geen regie voor de bonden.

In de sociale aspecten van werk zoals arbeidstijden en -omstandigheden, speelt de OR een belangrijke rol. In de economische aspecten is deze al veel kleiner. De paar OR-leden die daadwerkelijk onderhandelen over primaire arbeidsvoorwaarden zijn niet altijd gelukkig met hun hoofdrol. “Je steekt je hand toch in de vestzak van je collega”, is een veel gehoorde opmerking.

Die collega heeft als probleem dat de OR zijn arbeidscontract wijzigt zonder dat hij daar zeggenschap over heeft. Hoewel de verenigingsstructuur van vakorganisaties ook niet zonder problemen is, biedt dit systeem de leden nog enige invloed. Het functionele equivalent voor een CAO-loze sector is een onderhandelende OR die de resultaten door het personeel laat ratificeren.

Dit brengt natuurlijk veel rompslomp met zich mee, maar beide collega's kunnen nog steeds door één deur; belangrijk in deze tijd van teamworking.

Ten slotte de vakorganisaties zelf. Zij lijken niet van plan de OR een hoofdrol toe te bedelen in de economische aspecten van werk; primaire arbeidsvoorwaarden zijn 'des bonds'. Voor CAO-loze sectoren wordt een uitzondering gemaakt, liever de OR dan geen enkele behartiger van werknemersbelangen. De keerzijde is dat dit zich op langere termijn tegen de vakorganisaties kan richten. Een ondernemer die te maken heeft met gekwalificeerde OR-onderhandelaars, die goed contact houden met hun achterban, heeft weinig redenen een vakorganisatie aan tafel te vragen, zoals recent bij IT-gigant Getronics. Vakorganisaties zijn zich er van bewust dat hun relaties met OR-leden van groot belang zijn in ons verschuivende arbeidsbestel. Van der Heijden zou terecht kunnen stellen dat de relatie vakorganisatie-OR belangrijk is en dat waarschijnlijk zal blijven. Er is echter geen sprake van een hoofdrol of een centrumspits, daarvoor kent de relatie te veel varianten.

Het lijkt meer op een bridge-paar; speler of dummy, zeker is dat de partners niet zonder elkaar kunnen.

    • Keimpe Schilstra