Nieuwe vrijheid voor pensioenfondsen

De Eerste Kamer heeft afgelopen week ingestemd met een wetsvoorstel dat nieuwe regels geeft voor pensioentoezeggingen. De nieuwe wet geeft pensioenfondsen aanmerkelijk meer speelruimte op de markt voor pensioenverzekeringen, en dus grotere concurrenten voor verzekeraars.

De nieuwe wet geeft een moderne definitie van het begrip 'pensioentoezegging'. Daardoor komt de nu nog geldende eis te vervallen dat de werkgever ten minste 50 procent van de pensioenpremie moet betalen om van een pensioentoezegging te kunnen spreken. Het nieuwe criterium is dat de pensioentoezegging voortvloeit uit de arbeidsverhouding, zonder dat nog relevant is voor wiens rekening de pensioenpremie komt.

De wijziging is van belang met het oog op de marktafbakening tussen pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Een pensioenfonds is namelijk slechts bevoegd om pensioentoezeggingen uit te voeren. Hoe enger dan de invulling van het begrip pensioentoezegging is, hoe kleiner de bewegingsruimte voor pensioenfondsen. Het nieuwe wetsvoorstel zal evenwel het werkterrein voor pensioenfondsen flink verruimen. Door het vervallen van de eis van een werkgeversbijdrage - van welke hoogte dan ook - zijn pensioenfondsen in staat pensioenregelingen uit te voeren waarvoor de hele premie voor rekening van de werknemer komt. Dergelijke geheel door de werknemer gefinancierde pensioenregelingen konden tot nog toe alleen maar bij verzekeraars worden ondergebracht. Per saldo wordt de markt voor pensioenfondsen hierdoor groter.

De nieuwe regels over pensioentoezegging worden ingevoerd om de flexibilisering van pensioenregelingen mogelijk te maken. Bij zo'n keuzepensioen is het welhaast onvermijdelijk dat de werknemer de gelegenheid heeft om door eigen premiebetaling eventuele pensioenaanvullingen te verzekeren. Voor pensioenfondsen was de eis van een werkgeversbijdrage evenwel een obstakel om daaraan mee te werken. Dit blijkt bijvoorbeeld bij de vervanging van vut-regelingen door een stelsel van flexibele pensionering waarbij de werknemer de pensioeningangsdatum - binnen zekere grenzen - zelf bepaalt. Wanneer de werknemer er voor kiest zijn pensioen vervroegd in te laten gaan, zal het pensioen vanzelfsprekend lager zijn dan wanneer het op latere leeftijd ingaat en dan dus gedurende een kortere periode betaald moet worden. Een dergelijke pensioenverlaging moet de werknemer wel kunnen bijverzekeren. Het vervallen van de eis van de werkgeversbijdrage verruimt de mogelijkheden om dat via het pensioenfonds te doen.

Een ander onderdeel waarop door de werknemer zelf gefinancierde pensioenaanvullingen in zwang raken, betreft de opvulling van gaten die zijn veroorzaakt door de beperking van de uitkeringen van de wettelijke sociale zekerheidsregelingen. De afgelopen jaren zijn de wettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid (WAO) en bij het overlijden (AWW/ANW) sterk ingeperkt. Vaak krijgt de werknemer dan de keuze om het ontstane inkomensgat te compenseren door voor eigen rekening een aanvullend pensioen te verzekeren.

Dit zelfde speelt als bedrijven het eindloonpensioen vervangen door een pensioen op basis van het middelloon en werknemers desgewenst door eigen premiebetaling toch het hogere eindloonpensioen willen verzekeren. Dit alles kan met het nieuwe begrip pensioentoezegging straks bij het pensioenfonds.

Pensioenfondsen kenmerken zich van oudsher door de collectiviteits- en solidariteitsgedachte. Een pensioenfonds was oorspronkelijk vooral het samenwerkingsverband voor de collectiviteit van werknemers. Het marktgebied van individuele verzekeringen was het domein voor verzekeraars. Nu is de heel scherpe waterscheiding tussen de collectiviteit en individualiteit in de loop der jaren wel wat vervaagd.

In 1949 sloten pensioenfondsen en verzekeraars een gentleman's agreement op grond waarvan pensioenfondsen geen individuele toezeggingen betreffende pensioenaanvullingen zouden uitvoeren. Maar in de jaren tachtig kregen pensioenfondsen op basis van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf een duidelijke wettelijke bevoegdheid om door de werknemer zelf gesloten individuele aanvullende pensioenovereenkomsten uit te voeren, zij het dat deze wel dienen te passen binnen de collectieve pensioenregeling. Het nieuwe begrip pensioentoezegging zet de deur open voor individuele toezeggingen, zelfs als de werkgever daar geen premie voor betaalt.

De wetgever rechtvaardigt deze grotere speelruimte voor pensioenfondsen door er op te wijzen dat de werkgever wel een verantwoordelijkheid bij de pensioenregeling houdt omdat de Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing is. Dit heeft echter niets om het lijf, als de door de werknemer zelf gefinancierde aanvullingen in een afzonderlijk pensioenreglement zijn vastgelegd met het beschikbare premiesysteem als uitgangspunt. De werkgever heeft dan geen andere verantwoordelijkheid dan er enkel voor te zorgen dat de pensioenpremie ook afgedragen wordt.

Verzekeraars worden dus op achterstand gezet. Verwacht mag worden dat zij marktaandeel gaan verliezen aan pensioenfondsen. Er is ook een ander punt. Voor pensioenfondsen gelden andere voorschriften dan voor verzekeraars, onder andere wat betreft het toezicht (voor verzekeraars gelden dwingende voorschriften wat betreft de solvabiliteit) en wat betreft de fiscaliteit (anders dan pensioenfondsen zijn verzekeraars vennootschapsbelastingplichtig).

Wanneer nu pensioenfondsen zich meer en meer met individuele verzekeringen bezighouden, dreigt het onderscheid tussen pensioenfondsen en verzekeraars te vervagen. Dan zou de vraag kunnen opkomen hoelang het verschil in rechtspositie tussen pensioenfondsen en verzekeraars nog overeind kan blijven. Willen pensioenfondsen een discussie daarover ontlopen, dan lijkt het geboden het collectiviteitskenmerk in ere te houden.