Neoliberale retoriek verdient wantrouwen

Prof. J.D. Dengerink keerde zich in deze krant tegen het hedendaagse neoliberalisme. Ewald Engelen is weliswaar geen voorstander van het huidige dereguleringsbeleid dat daar het gevolg van is, maar meent niettemin dat voor- en tegenstanders van het neoliberalisme uitgaan van homogeniteit in het liberale gedachtegoed en van een ireëel markt-begrip. Dat draagt bij tot spraakverwarring.

Evenmin als Dengerink (NRC Handelsblad, 19 december 1996) ben ik voorstander van het dereguleringsbeleid dat momenteel onder neoliberale noemer wordt gevoerd. Niet omdat de normatieve doelstellingen ervan niet zouden deugen - wie kan er bezwaren hebben tegen grotere individuele vrijheden!

Mijn bezwaren betreffen vooral de neoliberale praktijk. Wat wordt gepresenteerd als uitvloeisel van liberale Verlichtingsbeginselen is feitelijk een grove ingreep in de bestaande machtsverdeling tussen kapitaal en arbeid. Of het ideaal van grotere individuele vrijheid hiermee is gediend, is namelijk nog maar zeer de vraag. Dit plaatst mij tussen Dengerink en zijn critici Verkooijen en Chayes (NRC Handelsblad, 2 januari 1997) in. Zij halen namelijk alledrie retoriek en werkelijkheid door elkaar. Verkooijen en Chayes verdedigen de neoliberale retoriek, terwijl Dengerink juist de neoliberale werkelijkheid aanvalt.

Deze spraakverwarring berust op drie onhoudbare aannames.

De eerste betreft de liberale politieke filosofie. Verkooijen, Chayes en Dengerink spreken over hét liberalisme als over iets homogeens. Het klassieke liberalisme van John Locke, met zijn sterke nadruk op civiele vrijheidsrechten ter bescherming van 'leven, goed en have' tegen staatsinterventie, is uitgemond in het libertarisme van Robert Nozick en Friedrich Hayek, waarvoor democratie zeker geen vanzelfsprekenheid is. Dit liberalisme wijkt af sterk af van het sociaal-liberalisme van John Rawls, waarin de economische vrijheidsrechten van Locke worden gekwalificeerd door gelijke politieke participatierechten en levenskansen. Deze politiek filosofische takken moeten op hun beurt strikt worden onderscheiden van de liberale politieke praktijk. Uiteraard is politieke filosofie een belangrijke leverancier van standpunten. Maar zeker niet de enige, en waarschijnlijk ook niet de belangrijkste. Tijd- en plaatsgebonden overwegingen zijn dat eerder. Het gaat kortom niet aan de VVD klakkeloos gelijk te stellen aan hét liberalisme. Vooral van filosoof Dengerink had beter mogen worden verwacht.

Het tweede punt betreft staat en markt. Sinds een jaar of twintig weten we dat 'onze' werkelijkheid sterk theoretisch is gekleurd. Toch schrijven Verkooijen, Chayes en Dengerink over staat en markt alsof deze kanttekening nooit is geplaatst. In de literatuur kunnen, al naar gelang de theoretische invalshoek, vijf staatsmodellen worden onderscheiden. Het eerste is de nachtwakersstaat; deze staat moet zich beperken tot die goederen (defensie, veiligheid) waarin markten niet zelf kunnen voorzien. Het tweede is de macro-economische stabiliseringsstaat. Met een beroep op John Maynard Keynes wordt matiging van de conjunctuur bepleit. De staat wordt geacht de doelstelling van volledige werkgelegenheid bij stabiele economische groei te realiseren door stimulering en het afwenden van onderbestedingscrises. Het derde model is gestoeld op de constitutionele geschiedenis van liberale democratieën, die is uitgemond in de sociale-rechtenstaat. Naast civiele en politieke rechten hebben moderne staten zich verplicht tevens sociale rechten (bescherming tegen de wisselvalligheden van de markt, natuur en leven) te waarborgen. Het vierde model - de ontwikkelingsstaat - beleeft momenteel onder de noemer neomercantilisme een nieuw hoogtij. Auteurs als Robert Reich en Lester Thurow staan een agressief industriebeleid voor en schromen niet gebruik van het tariferingswapen voor te stellen om Japan en andere economische hoogvliegers tot fair trade te dwingen. Het laatste model - de socialistische staat - fungeert als het schrikbeeld waarmee neoliberalen verregaande herziening van de verzorgingsstaat afdwingen. Om bestaande onrechtvaardigheden effectief te kunnen bestrijden, aldus het Oost-Europees staatssocialisme, dienen kapitalistische bezitsverhoudingen door socialistische te worden vervangen. Omdat de verzorgingsstaat slechts individuele bescherming tegen marktonzekerheid beoogt, is de gelijkenis feitelijk minimaal, maar retorisch uiterst effectief gebleken.

Deze modellen zijn ideaaltypen die gemakkelijk op een kwantitatief continuüm van meer of minder staatsintervantie kunnen worden uitgezet. Ondanks de grote verschillen is er namelijk ook veel wat deze modellen bindt. Of het nu gaat om liberale economen of sociaal-democratische criticasters, gedeeld wordt een beeld van de markt als vrij, neutraal en efficiënt.

Vergelijkend politiek economisch onderzoek laat van dit beeld weinig heel. Via het instrument van eigendomsmanipulatie construeren overheden markten die meer of minder vrij, neutraal, efficiënt zijn. Decentrale marktallocatie is niet het 'natuurlijke' coördinatiebeginsel dat onherroepelijk de kop opsteekt wanneer de verstikkende deken van overheidsregulering wordt weggetrokken.

Verkooijen onderkent een en ander als het gaat om openbaar vervoer. Maar verzwijgt dat realisering van het liberale marktideaal van vele, tamelijk gelijke aanbieders en vragers evenzeer staatsinterventie vereist.

Juist omdat retoriek en werkelijkheid kennelijk lastig uit elkaar zijn te houden, is het zaak zicht op de eigen aannames te krijgen. Geen beter middel daarvoor dan de vergelijkende politiek-economische studies die sinds de vroege jaren tachtig zijn verschenen. Deregulering en liberalisering op zich vergroten individuele vrijheden niet; grotere economische vrijheid van de een betekent namelijk meestal vrijheidsverlies voor de ander, zo leren deze studies. Dat maakt deregulering tot een politieke keuze die niet met quasi-wetenschappelijke vooringenomenheid aan democratische besluitvorming onttrokken behoort te worden. Zolang dit wordt miskend, past ten opzichte van de neoliberale retoriek achterdocht en wantrouwen.