Minder 'Rijnland' draagt bij aan de wederopstanding van de economie

Het Rijnlandse model van de sociale verzorgingsstaat in combinatie met een overlegeconomie is alleszins populair, zeker sinds het echte socialisme op zijn retour is. Toch is er geen reden het Rijnlandse model alleenzaligmakend te verklaren, vindt Hans Hoogervorst. De recente successen van de Nederlandse economie hebben eerder te maken met minder 'Rijnland'.

Tijdens de begrotingsbehandeling Sociale Zaken in 1994 sprak minister Melkert met enige pathos de woorden: “Ich bin ein Rheinländer.” Ik weet niet of het zijn bedoeling was zich te meten met John F. Kennedy, maar er was waarschijnlijk meer verband met de uitspraak van de Amerikaanse president dan Ad Melkert zelf kon bevroeden. Want het is naar mijn mening geen toeval dat juist na de verwerkelijking van Kennedy's droom - de val van de Berlijnse Muur - het Rijnlandse model als politiek-ideologisch concept populair is geworden. Sinds 1989 is in de Tweede Kamer immers alleen Jan Marijnissen nog bereid “Ich bin ein Sozialist” uit te spreken. Het Rijnlands model vult de ideologische leemte die het socialisme heeft achtergelaten.

Maar wat is dat Rijnland nu eigenlijk? Het Rijnlands model is een vage aanduiding voor de sociaal-economische inrichting van de Europese verzorgingsstaat. Het concept duidt op markteconomieën waarin de werking van de markt fors wordt afgedempt door enerzijds een hoogontwikkelde collectieve sector en anderzijds door harmonieuze samenwerking tussen de overheid en de sociale partners. Door deze mengvorm van corporatisme en marktwerking zou Europa zowel economisch als sociaal goede resultaten afwerpen.

Ad Melkert heeft zich in Nederland opgeworpen tot de belangrijkste pleitbezorger van de Rijnlandse ideologie. Naar zijn mening is de verzorgingsstaat niet alleen een rem op de uitwassen van de vrije markt, maar is hij zelfs een bron van economische dynamiek. Dankzij de verzorgingsstaat hebben wij sociale harmonie en dankzij die harmonie floreert onze markteconomie, aldus zijn redenering. En natuurlijk heeft hij deels gelijk. Want wie zal ontkennen dat de harmonieuze arbeidsrelaties in ons land de concurrentiekracht van ons bedrijfsleven ten goede komen?

Maar wie de economische ontwikkeling van continentaal Europa in de laatste twintig jaar bekijkt, kan toch weinig tekenen van de superioriteit van het Rijnlandse model ontwaren. Toegegeven, er is minder abjecte armoede dan in de Verenigde Staten en dat is veel waard. Maar de aanwas van het aantal banen is in Europa in vergelijking tot de VS bedroevend geweest. De werkloosheid is in Europa veel groter, de kansen op sociale mobiliteit veel kleiner. Ook de economische groei blijft op ons continent achter. De voltooiing van de interne markt van Europa heeft nooit de groei opgeleverd die ons in het vooruitzicht was gesteld. Drie procent economische groei is in Europa een forse opsteker, in Zuidoost-Azië heet het recessie. Hongkong en Singapore zijn ons in economische kracht al gepasseerd. Ongetwijfeld zullen ook andere Aziatische tijgers ons in de komende jaren passeren.

En Nederland dan? Twaalf jaar geleden zaten we nog ernstig in de lappenmand. Nu zijn we de economische modelboerderij van Europa. Volgens Melkert toont het economische herstel van Nederland dan ook aan hoe goed het Rijnlandse model kan werken. Mijn redenering zou eerder zijn dat de Nederlandse inhaalslag vooral te danken is aan het feit dat we zo veel minder Rijnlands zijn geworden. De feiten spreken voor zich.

Ten eerste heeft Nederland nu veel minder verzorgingsstaat dan vijftien jaar terug. Het relatieve niveau van de collectieve uitgaven is sinds 1983 met maar liefst 20 procent gedaald. Een bezuinigingsprestatie die haars gelijke in Europa nauwelijks kent. Onderdelen van de sociale zekerheid zijn geprivatiseerd, terwijl het resterende collectieve deel fors is afgeslankt door aanpassing van de uitkeringsniveaus en verbetering van de uitvoering. Daarmee is ons ooit volledig doorgeschoten stelsel van sociale zekerheid veel realistischer geworden.

De loonmatiging is een ander belangrijk onderdeel van de economische wederopstanding van Nederland. Door de Rijnlanders wordt dit als grote verdienste van de sociale partners opgevoerd. Maar dat is niet het complete verhaal. Was de essentie van het Akkoord van Wassenaar niet dat de sociale partners juist afstand deden van hun centralistische sturende rol in de loonvorming? En dat daardoor op decentraal niveau meer marktwerking kon plaatshebben? Daarnaast ondervond Nederland ook nog eens de sterkste groei van het arbeidsaanbod van Europa. In die omstandigheden was loonmatiging een bijna natuurlijk proces. Met andere woorden: marktkrachten waren ten minste zo belangrijk voor de loonmatiging als het Nederlandse harmoniemodel.

Ook elders is de centrale rol van de sociale partners sterk teruggedrongen. De parlementaire enquête sociale zekerheid is hierin een belangrijke katalysator geweest. Het oneigenlijk gebruik van de WAO als afvloeiingsregeling is fors verminderd. In zijn algemeenheid worden werknemers en werkgevers in de uitvoering van de sociale zekerheid veel meer op afstand geplaatst. De traditionele overlegrondes tussen sociale partners en overheid hebben veel van hun glans verloren. De nieuwe generatie politici in de Tweede Kamer weet meer van de elektronische snelweg dan van voorjaars- en najaarsoverleggen. En de Sociaal-Economische Raad is geworden tot wat zij behoort te zijn: een adviesorgaan zoals alle andere. Nuttig en belangrijk, maar niet langer het kroonjuweel van corporatistisch Nederland. De ontvlechting van de corporatistische kruisverbanden betekent overigens ook dat de politiek beter op haar eigen verantwoordelijkheden kan worden aangesproken. Het misbruik van de SER als schuilkelder voor de politiek behoort hopelijk tot het verleden.

Anno 1997 kent ons land dus minder verzorgingsstaat, een minder centrale rol van sociale partners en minder corporatisme. Nederland is dus minder Rijnlands geworden. Daarvoor in de plaats kwamen decentralisatie van beleid en meer eigen verantwoordelijkheid voor burgers en bedrijven, kortom meer liberalisme. Voor Nederland betekent minder Rijnland en meer liberalisme: meer groei en meer banen. Dat heeft ons zowel sociaal als economisch bepaald goed gedaan. Onze bereidheid tijdig hervormingen door te voeren, heeft ons teruggebracht in de voorhoede van Europa.

Het is zaak die winst vast te houden. Ik zie twee gevaren. Ten eerste het gevaar van zelfgenoegzaamheid, want we zijn er nog lang niet. De werkloosheid en de staatsschuld zijn veel te hoog en we staan voor een gigantische opgave met de infrastructuur. Het tweede risico is meegesleurd te worden in de machteloosheid van de Europese Unie. Zowel het sociaal-democratische Noorden als het etatistische Zuiden hopen dat wat op nationaal niveau is mislukt - de verzorgingsstaat - op Europees niveau wel kan lukken. Deze hoop is de achtergrond van het streven naar steeds meer sociale regelgeving en werkgelegenheidsbeleid op Europees niveau.

Dit streven naar een pan-Europees Rijnland is tot mislukken gedoemd. Europese bemoeienis op het sociale vlak begint met symboliek, loopt uit op hinderlijke regelgeving en eindigt in uiterst verstrekkende uitspraken van het Europese Hof van Justitie. Bovendien: de verzorgingsstaat is niet stukgelopen op nationale grenzen maar op zichzelf. Terecht pleitte topambtenaar Ad Geelhoed er dan ook onlangs voor het sociaal en werkgelegenheidsbeleid zo dicht mogelijk bij de burger te laten. Beleidsconcurrentie tussen de lidstaten kan ook een positieve kracht zijn om Europa uit het slop te halen. Het komt er dus op aan onze sociaal-economische beleidsvrijheid binnen Europa zoveel mogelijk te behouden. Zo niet, dan lopen wij het risico de sociaal-economische winst van de afgelopen vijftien jaar te verspelen.