Middelloon kan problemen bij pensioenen oplossen

De auteurs De Haas, Van Rees en Smies van drie artikelen over het middelloonpensioen (NRC Handelsblad, respectievelijk 7, 9 en 14 januari) richten hun pijlen op het kabinet, echter zonder de kern te raken van hetgeen het kabinet betoogt. Zij laten zich afleiden door één van de suggesties van het kabinet: de promotie van het zogenoemde middelloon-systeem.

Behalve het niet naar elkaar luisteren, is ook een verklaring voor de misverstanden dat in Nederland een duidelijke structuur voor de aanvullende pensioenregelingen ontbreekt. Dat is ook de reden dat deelproblemen, zoals de pensioenbreuk-problematiek en de koopkrachthandhaving, nooit echt zijn opgelost. Ook met de fiscale behandeling van pensioen blijft het behelpen.

Door deze onduidelijkheid ontstaan belangentegenstellingen, afhankelijk van het eigenbelang of het groepsbelang waarvoor men meent te staan. Deze belangentegenstellingen dragen ertoe bij dat de onduidelijke structuur kan blijven voortbestaan. Er is namelijk geen bereidheid iets van de eigen voorkeuren prijs te geven ten gunste van een betere landelijke structuur. De werkgeversorganisatie VNO-NCW pleit waar mogelijk voor het in pensioenland laten bloeien van wel duizend bloemen. Van efficiency gesproken...

In onder meer de op Prinsjesdag 1996 gepresenteerde nota Werken aan zekerheid (hierna WAZ-nota), probeert ook het paarse kabinet weer eens enige structuur in de aanvullende pensioenregelingen aan te brengen. Het kabinet wil daarmee op onder meer betere kostenbeheersing aansturen. Doordat dit - ook in de drie artikelen - wordt verstaan als bezuinigen, ontstonden onmiddellijk vanuit de pensioenwerld weer heftige protesten, te meer omdat het kabinet mede in dit verband opnieuw het opbouw (middelloon)-systeem naar voren bracht.

De werkelijkheid is echter dat het kabinet een veel bredere problematiek schetst, waaronder die wegens de individualisering en flexibilisering. Een groot deel daarvan heeft De Haas in zijn artikel goed uit de doeken gedaan.

Maar geen van de drie auteurs noemt een van de belangrijkste overwegingen van het kabinet, namelijk de noodzaak om de AOW-inbouw in de aanvullende pensioenen - doorgaans via de zogenoemde franchise - te gaan baseren op de individuele AOW-uitkering.

Er zijn nog steeds veel pensioenregelingen waarin de totale AOW-uitkering voor een echtpaar wordt ingebouwd, via een franchise van een kleine 35.000 gulden. Dit leidt er toe dat tweeverdieners die elk zo'n 35.000 gulden verdienen - samen dus 65.000 à 70.000 gulden - geen of nagenoeg geen aanvullend pensioen opbouwen. Zij vallen aldus na pensionering terug op alleen de AOW die in totaal maximaal zo'n 25.000 gulden bedraagt (exclusief de zogenoemde Oorttoeslag). Hoezo 70 procent eindloonpensioen?

Het is voor mij een raadsel waarom de vakcentrales CNV en FNV niet veel eerder aandacht voor deze onacceptabele uitkomst hebben gevraagd. De verklaring is vermoedelijk dat dit de pensioenkosten in een paar grote bedrijfstakken met tientallen procenten omhoog zou hebben gejaagd, waardoor de ruimte voor directe loonsverbetering zou zijn beperkt. Het zal duidelijk zijn dat het overgrote deel van de modale werknemers veel beter af is met een opbouwregeling, maar dan met een meer realistische AOW-inbouw.

Aanpak van dit alles kost veel geld, naast de kosten die de vergrijzing toch al meebrengt. Het kabinet heeft het derhalve niet zozeer over te luxe pensioenregelingen, zoals in de drie artikelen wordt betoogd. Het wijst gewoon op de onvermijdelijke knelpunten.

Voor oplossing van die bredere problematiek is toepassing van het opbouwsysteem inderdaad veel doelmatiger en billijker. Het is daarom alleszins terecht dat ook dit kabinet, mede als een soort escape, toepassing van het opbouwsysteem aanbeveelt.

De Haas onderkent de voordelen van het opbouwsysteem en erkent dat ook Philips daarom die weg is ingeslagen. Desondanks vindt hij dat het kabinet algehele overgang op het opbouwsysteem niet mag afdwingen. Om enige harmonie in de regelingen te bereiken is het echter wèl nodig dat alle pensioenregelingen een dergelijk systeem als basis kiezen. Het kabinet suggereert dat het deze harmonie kan bereiken door fiscale maatregelen. Ook dat laatste heeft weer tot veel gekrakeel geleid.

In het debat in de Tweede Kamer, op 11 november, heeft staatssecretaris De Grave (Sociale Zaken) zich een goed luisteraar getoond. Naar aanleiding van de kritiek op de kabinetsvoornemens was zijn reactie ongeveer: u kent de problematiek en als u deze op een andere wijze kunt oplossen, vind ik dat prima.

Daarmee kaatste hij de bal handig naar de Sociaal-Economische Raad en verwierf hij zich een goede positie in de nog komende discussie. Ongetwijfeld zullen er allerlei lapmiddelen en compromissen worden aangedragen. Het kabinet kan die nu stuk voor stuk op doelmatigheid en billijkheid beoordelen. Wordt de problematiek niet voldoende aangepakt, dan is het kabinet gelegitimeerd zijn eigen plannen door te voeren.

Er is wel meer commentaar bij de artikelen mogelijk, maar belangrijker is op dit moment dat het kabinet in de pensioenwereld verwachtingen heeft gewekt door op 1 september 1995 zonder voorbehoud groen licht te geven voor de uitvoering van het rapport van de 'Werkgroep fiscale behandeling pensioenen', in de wandeling de commissie-Witteveen.

De aanbevelingen van dat rapport laten pensioenen tot 100 procent van het salaris toe. Dat is veel ruimer dan de normen die in de WAZ-nota van september 1996 worden gesuggereerd. Mede gezien uitlatingen van minister Zalm (Financiën) al in november 1995, kan men zich niet aan de indruk onttrekken, dat een paar bewindslieden er spijt van heeft, dat het kabinet de mogelijkheid van bijslijpen van de aanbevelingen uit het rapport-Witteveen nagenoeg uit handen heeft gegeven door de ogenschijnlijk blindelingse acceptatie van dit rapport.

De pensioenwereld gaat derhalve nog spannende tijden tegemoet.