Japanse economie heeft vele gezichten

De Nikkei wil al jaren niet meer stijgen. Maar gaat het nu echt zo slecht met Japan? “De geschiedenis leert dat pessimisme over de Japanse economie in dit stadium waarschijnlijk uitermate overdreven is.” Het eerste van twee artikelen.

TOKIO, 4 FEBR. Alsof hij, zoals vaak in Japan, wilde kokketteren met pessimisme zei Jiro Ushio vorige week op een nieuwjaarsbijeenkomst dat de daling van de beurs van Tokio het gevolg is van investeerders die hun “hoop in de economie hebben verloren”. Ushio is niet een van de minsten in het Japanse zakenleven als voorziter van de Keizaidoyukai, een exclusieve club van Japanse industriëlen die een nauwe band met de overheid onderhouden.

Ook Kenji Umeda, handelaar bij het effectenhuis Hirota, geeft zulke sentimenten weer als hij zegt dat “buitenlandse investeerders moe zijn” van het gepraat over financiële deregulering leidend tot een 'Big Bang' in het jaar 2001. “Ze denken dat er dus in de komende vijf jaar tòt 2001 wel niks zal gebeuren”, aldus Umeda, en brengen hun geld over naar winstgevender markten in de VS of Europa.

Juist een buitenlandse investeerder weerspreekt echter dergelijke sentimenten. Bernard Key, investeringsadviseur bij MeesPierson In Tokio, wijst erop dat men in het kader van dereguleringsplannen “binnen de overheid 18.000 reguleringen heeft aangewezen die voor herziening of afschaffing in aanmerking komen”. “Dat is een enorm aantal dat niet binnen korte tijd is op te ruimen”, aldus Key, “maar elk jaar verdwijnen er één à tweehonderd regelingen.”

Binnen het ministerie van Financiën zelf is er kritiek op dit tempo. De invloedrijke en markante directeur Internationale Financiën op het ministerie, Eisaku Sakakibara, zei onlangs dat “we achter raken bij New York en Londen, terwijl Singapore en Hong Kong ons inhalen. Dit is onze laatste kans het gat te dichten en het moet met één klap.” Meer dan zestig Westerse bedrijven zoals Exxon en Walt Disney hebben de afgelopen jaren hun beursnotering in Tokio beëindigd wegens de minimale handel en hoge kosten voor notering. Wellicht is er echter een nieuwe trend aan het ontstaan nu recentelijk twee Aziatische bedrijven, uit Maleisië en Hong Kong, hun aandelen juist in Tokio hebben genoteerd.

Buitenlandse investeerders zijn na het ineenstorten van de 'zeepbel' in 1991, de hausse in aandelen, de grote investeerders geweest in de beurs van Tokio met, volgens handelaar Umeda, een netto instroom van 2 biljoen yen (ruim 30 miljard gulden). Maar deze investeerders “zijn het zat”, aldus Key, dat de markt van Tokio niet net zo winstgevend is als de Europese en Amerikaanse markten de afgelopen tijd. Het resultaat is een vermindering van het gewicht van Japanse aandelen in de portefeuilles van institutionele beleggers. “Maar als de markten in de VS en Europa gaan zakken mogen ze blij zijn als ze in Tokio weer op dezelfde prijs kunnen inkopen als het niveau waarvoor ze hebben verkocht”, zegt Key.

Handelaar Umeda constateert wel een nieuwe ontwikkeling op de markt in de keuze van fondsen. Hij adviseert zijn klanten nu expliciet dat “electronicabedrijven als Sony en Ricoh het waard zijn om te kopen, maar niet de aandelen van banken, bouwbedrijven en de staalindustrie”. “Een dergelijk onderscheid heeft lang niet bestaan in de Japanse aandelenmarkt”, aldus Umeda. De reden dat het verschil nu wél wordt gemaakt is dat electronicabedrijven, en ook de auto-industrie, gewend zijn te opereren op zeer concurrerende internationale markten en daar een groot deel van hun omzet boeken. De winsten van deze bedrijven lijden dan ook geenszins onder de magere groeicijfers van de Japanse economie.

Gesteund door een goedkopere yen verwacht de Japanse auto-industrie een exportgroei dit jaar van 6,9 procent, de eerste exportgroei sinds 1985. De afgelopen jaren is een deel van de produktie juist naar het buitenland overgeplaatst waardoor de export jarenlang alleen maar daling heeft laten zien. Zo hervat Honda binnenkort vanuit Japan de export van de Civic richting Verenigde Staten, die het in 1995 had stopgezet toen de dollar een hoogtepunt van 79 yen bereikte. De daling van de yen naar een koers van rond de 120 per dollar de afgelopen tijd heeft tevens tot positieve reacties geleid in de scheepsbouw en halfgeleiderindustrie die hun exportpositie ten opzichte van de belangrijkste concurrent, Zuid-Korea, weer zien opfleuren. Tot dusver is er slechts onzekerheid over een mogelijke interventie van de Japanse autoriteiten in de valutamarkt.

Banken en bouwbedrijven hebben daarentegen hun zwaartepunt in de beschermde thuismarkt waar onzekerheid heerst over de toekomst. Bouwbedrijven hebben als extra nadeel hun afhankelijkheid van openbare werken, waarvoor de uitgaven onder druk staan nu de staatsschuld de pan uit rijst. Als om dit te illustreren verlaagde het Amerikaanse creditrating agency Moody's vorige week de kredietwaardigheid van vier middelgrote Japanse banken van “stabiel” naar “negatief”. De reden is een gewijzigd beleid van de Japanse autoriteiten in de oplossing van het probleem van de 'slechte leningen' die Japanse banken hebben overgehouden na de instorting van de 'zeepbel' in 1991. “Het Japanse beleid ten opzichte van noodlijdende banken is gewijzigd van bescherming naar liquidatie”, aldus Moody's.

Het Japanse ministerie van Financiën accepteerde sinds een grote bankencrisis in de jaren twintig geen faillisementen in de financiële sector, maar heeft bijvoorbeeld in november de activiteiten stil gelegd van de Hanwa Bank, een kleine regionale bank, wegens een desastreuze opeenhoping van oninbare leningen. Vorige week dinsdag benadrukte de minister van Financiën, Hiroshi Mitsuzuka, nogmaals dat de regering niet van plan is overheidsgeld te besteden aan het redden van banken. Vorig jaar leidde het gebruik van 10 miljard gulden belastinggeld voor de liquidatie van zeven hypotheekbanken tot grote publieke protesten. De geplande 'Big Bang' verhoogt de kans dat een aantal banken niet op eigen kracht zal kunnen overleven. “Japanse banken lopen tien jaar achter bij Amerikaanse”, aldus effectenhandelaar Umeda.

Terwijl een deel van de banken een eind is opgeschoten met de afschrijving van hun slechte leningen, geeft de recente daling van de beurs de banken een extra probleem. Een deel van het eigen kapitaal dat de banken in hun boeken moeten aanhouden als percentage van uitstaande leningen bestaat uit ongerealiseerde winst op aandelenbezit. Elke daling van de Nikkei-beursindex vermindert dit bedrag op de balans van de banken en verkleint daardoor tevens de manoevreerruimte in het afschrijven van de oninbare leningen.

Investeringsadviseur Key is overigens niet al te enthousiast over een strak onderscheid tussen twee sectoren bedrijven. “Ook binnen bijvoorbeeld de bouwsector zitten gezonde bedrijven en juist de ontwikkelaars in onroerend goed doen het recentelijk tegen de trend in goed op de beurs”, aldus Key.

Bovendien zijn, ondanks allerlei zorgen over de Japanse economie, “een aantal indicatoren uitermate positief, zoals bijvoorbeeld de werkgelegenheid”.

De Japanse regering maakte vorige week weliswaar bekend dat de werkloosheid over het afgelopen jaar op een recordhoogte van 3,4 procent staat, tevens bleek dat het aantal vacatures op de arbeidsmarkt per werkzoekende voor het eerst na een zes jaar lange, dalende trend nu weer aan het stijgen is. Op de arbeidsmarkt is volgens het ministerie van Arbeid nu 0,7 vacature per werkzoekende tegen 0,63 in 1995.

Per maand beschouwd is ook de werkloosheid over het dieptepunt heen: tegenover een percentage van 3,5 procent in de maanden mei en juni staat 3,3 procent voor afgelopen december. De Nihon Keizai Shinbun (Japans Economisch Dagblad) concludeerde dan ook dat “de behoefte aan personeel bij het bedrijfsleven weer aan het stijgen is”.

Ook in het dagblad Yomiuri constateerde economisch analist Michio Sato onlangs dat, ondanks de recente daling van de beurs “we niet moeten vergeten dat de economie in een betere vorm is dan de laatste jaren gebruikelijk”. Sato verwijst hierbij naar vooruitzichten dat 20 procent van de beursgenoteerde ondernemingen in maart recordwinsten zullen aankondigen over het dan aflopende boekjaar. Dit betreft met name de eerder aan bod gekomen elektronica- en auto-industrie. En in de Amerikaanse Senaat zei Alan Greenspan, voorzitter van het Amerikaanse systeem van centrale banken, afgelopen donderdag dat “de geschiedenis ingeeft dat pessimisme over de Japanse economie in dit stadium waarschijnlijk uitermate overdreven is”.

De zorgen die desondanks bestaan over de economische groei in het komende jaar worden vooral gevoed door een strakker fiscaal beleid van de overheid om de hoge staatsschuld in te perken. De BTW gaat per 1 april omhoog van 3 naar 5 procent, er komt een einde aan een belastingverlichting die bedoeld was om de economie te stimuleren, sociale zekerheidspremies gaan omhoog, en als laatste: de overheid zal zeker niet weer met een stimuleringspakket komen zoals de afgelopen jaren. Het effectenhuis Nomura rekent voor dat door deze maatregelen er aan de vraagzijde van de economie 15 biljoen yen (227 miljard gulden, 3 procent van het bruto binnenlands produkt) minder beschikbaar is dan het afgelopen jaar. De grote vraag is momenteel: Hoe zal de economie dit opvangen? Groeiverwachtingen voor 1997 liggen onder de 1 procent tegenover een geschatte groei over 1996 van ruim 3 procent.

    • Hans van der Lugt