Culturele verschillen wreken zich

Met voldoening heb ik donderdag op deze plaats gelezen hoe H.L. Wesseling de vloer aanveegt met het idee van Samuel Huntington dat wij, nu de Koude Oorlog voorbij is, in de toekomst rekening moeten houden met oorlogen tussen beschavingen, waarvan hij er zeven of acht onderscheidt: de westerse, de Russisch-orthodoxe, de islamitische, de hindoeïstische, de Chinese, de Japanse, de Latijns-Amerikaanse (en misschien de Afrikaanse).

Huntington doet dit in een boek getiteld The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order, maar Wesseling is zo eerlijk te erkennen dat hij dit boek niet gelezen heeft. Hij baseert zijn oordeel op een interview met de schrijver dat onlangs in de Volkskrant stond. Ik neem aan dat hij wel niet zal beginnen aan de lectuur van het boek zelf.

Waarom heb ik dat artikel nu met zoveel voldoening gelezen? Omdat ik ruim drie jaar geleden - om precies te zijn: op 20 augustus 1993 - op deze plaats tot hetzelfde oordeel was gekomen, weliswaar evenmin op grond van Huntingtons boek zelf, dat toen nog niet verschenen was, maar op grond van een artikel van hem in het kwartaalschrift Foreign Affairs, waarin hij dat idee voor het eerst had ontvouwd, en van een interview van Maarten Huygen met hem in deze krant (26 juni 1993).

Ik vond dus vorige week mijn opvatting bevestigd, en wel door een hoogleraar in de geschiedenis - en de bezwaren die Wesseling aanvoert, zijn ook grotendeels de mijne. Kortom, wij geloven geen van beiden dat we in de toekomst oorlogen tussen beschavingen te verwachten hebben. Hoe definieer je overigens beschavingen? En belangrijker: zijn mensen die tot één zo'n grote beschaving behoren, ook per definitie solidair met elkaar? De geschiedenis heeft anders aangetoond.

Ja, nu wil ik nog wel verder gaan en de stelling opwerpen dat conflicten binnen één beschaving waarschijnlijker zijn dan tussen beschavingen onderling. Waarom? Omdat mensen zich in hun cultuur of, zoals dat tegenwoordig vaker heet, in hun identiteit meer bedreigd voelen door mensen die op hen lijken, maar toch niet helemaal gelijk aan hen zijn, dan door totaal vreemden.

Kleine verschillen worden als afwijkingen en ergernissen beschouwd, terwijl grote verschillen ons koud kunnen laten. (Let wel: ik spreek over verschillen in cultuur, niet in macht.) Geen Nederlander zal zich door de Chinese of de Russisch-orthodoxe beschaving bedreigd voelen. Duitsers daarentegen beginnen, o.a. door hun taal, al meer op Nederlanders te lijken en worden, mede daarom, door velen als bedreigend gezien. Hetzelfde zal zich tussen Vlamingen en Nederlanders voordoen.

Maar die kleine verschillen hoeven toch niet tot oorlog te leiden? Nee - hoewel bondskanselier Kohl onlangs gezegd heeft dat de kwestie van de euro, die op het ogenblik Fransen en Duitsers verdeelt, een zaak van oorlog of vrede is. Zeker is in elk geval dat die meningsverschillen over de euro steeds openlijker, ook door monetaire deskundigen, teruggebracht worden tot culturele verschillen - culturele verschillen dus binnen wat door Huntington één der grote beschavingen wordt genoemd: de westerse.

Zullen die culturele verschillen niet noodzakelijkerwijs tot oorlog leiden, tot eenheid leiden ze ook niet per se. Zeker, ze sluiten samenwerking niet uit, maar ik heb het hier over eenheid. Ja, de dwangbuis van eenheid heeft de neiging die culturele verschillen sterker te doen voelen dan samenwerking, waarbinnen zij gerespecteerd blijven. Als die gedachte juist is, is zij een bom onder het concept van de Europese integratie.

De gedachte dat ook de monetaire eenheid die nu het doel is van de lidstaten van de Europese Unie, in laatste aanleg een culturele kwestie is, is al te vinden in het postume boek van de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter (1883- 1950), History of Economic Analysis. In het geld, zo zegt hij, weerspiegelt zich alles wat een volk “wil, doet, lijdt, is”.

“Zegevierende oorlogen en nederlagen, oorlogsvoorbereiding, revoluties, buitenlands-politieke successen en mislukkingen, binnenlands-politieke constellaties, kracht of zwakte van regeringen - ja, elke soort politiek, elke soort gebeurtenis kan een gebeurtenis van monetaire betekenis worden.” (De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik dit citaat niet direct aan Schumpeter ontleend heb, maar indirect, via een artikel van de politicoloog Wilhelm Hennis in de Frankfurter Allgemeine van 31 januari.)

Schumpeter verklaart daaruit de 'hartstochtelijke belangstelling' die monetaire kwesties weten te wekken. Nu, die stelling gaat wat Nederland betreft niet op, want hier heerst, afgezien van een paar artikelen in de krant, de rust van het graf wanneer het om de Economische en Monetaire Unie (EMU) gaat. Zelfs Bolkestein trekt de wenselijkheid ervan niet in twijfel.

Belangrijker is echter wat zich in de grote buurlanden afspeelt. In Frankrijk is al een groot debat gaande, waaraan ook de intellectuele gemeenschap deelneemt. In Duitsland is het nog niet zo ver, maar het feit dat een grote meerderheid van het publiek zich, desgevraagd, verzet tegen opgeven van de sterke D-mark voor een ongewisse euro, is een teken aan de wand.

De EMU komt er waarschijnlijk wel, maar de grote vraag is of dan de moeilijkheden niet pas goed tot uitbarsting zullen komen. Vroeg of laat wreken culturele verschillen zich.