20ste-eeuwse kunst

Als samenstellers van een grote tentoonstelling over twintigste- eeuwse kunst in het Palazzo Grassi in Venetië eisen Rudi Fuchs en Jan Hoet in het 'Europa van de regio's' een eigen plaats op voor de kunst uit de twee Lage Landen (NRC HANDELSBLAD, 23 januari). Sterker nog, zij verklaren de oorlog aan het Franse culturele imperialisme, want “heel de kunstgeschiedenis van de twintigste eeuw wordt bekeken door een Franse bril”, volgens Fuchs.

Zo heb ik het eerlijk gezegd nog nooit bekeken. Dat het in Frankrijk ontstane kubisme de wortel van álle moderne kunst zou zijn, een opvatting die zich naar de Verenigde Staten zou hebben verplaatst en daarmee de waardering voor andere stromingen sterk heeft beïnvloed, zoals Fuchs beweert, lijkt mij eerder een gevolg van het feit, dat kunstdeskundigen niet hebben onderkend of duidelijk hebben weten te maken wat in feite de essentie is van de twintigste eeuwse kunst: een zelfstandig denk- en ervaringssysteem, zoals Malevich de 'moderne kunst' zo treffend definieerde. Binnen dat 'systeem' passen inderdaad vele stromingen, zoals eenieder die bereid is om zich in de materie te verdiepen zal ontdekken.

Fuchs maakt zich thans zorgen over het behoud van de eigen identiteit en wil deze tentoonstelling over de artistieke erfenis van een zone, de kunst van een regio tonen om daarmee te komen tot een evenwichtiger beeld van de moderne kunst.

Ik denk dat menig kunstenaar en ook niet-kunstenaar dat evenwichtiger beeld al heeft en ik vermoed bovendien dat er nogal wat kunstenaars in onze regio zijn die het op prijs gesteld zouden hebben als Fuchs in een vroeger stadium van een dergelijke betrokkenheid blijk had gegeven. In 1989, Fuchs was toen nog directeur van het Haags Gemeentemuseum, een museum met Nederlandse kunst van toch niet geringe kwaliteit - men denke bijvoorbeeld aan de Mondriaancollectie - sprak Fuchs er nog schande van dat musea werden gebruikt om mee te doen 'in een afschuwelijke vernederlandsing van het Nederlandse deel van de Europese cultuur' (Kunstbeleid in beweging: pagina 108), daarbij doelend op het kunstbeleid van de overheid, waarin musea extra gelden - dat wil zeggen als extraatje bovenop de normale aankoopbudgetten - ter beschikking werden gesteld om werk van Nederlandse kunstenaars aan te kopen.

Het was, kortom, geld waarmee Fuchs in staat werd gesteld om de toekomstige- liefst evenwichtige - erfenis van hedendaagse kunstenaars uit zijn eigen regio veilig te stellen.