Punker kijkt terug op gewelddadige groeistuipjes

Voorstelling: A Clockwork Orange, van Anthony Burgess, door The London Academy of Music and Dramatic Art (Lamda). Regie: Geoffrey Reeves en Ann Durham. Gezien: 31/1 in De Meervaart, Amsterdam. Nederlandse tournee t/m 27/3. Inl. 070-3237727.

De verfilming van zijn roman A Clockwork Orange is voor Anthony Burgess altijd een ongemakkelijke ervaring geweest. Hij had er begrip voor dat het geweld, waarvan de sinistere details in het boek ietwat gedempt waren gebleven door de fantasietaal, in de film expliciet moest worden gemaakt. Maar hij vond dat regisseur Stanley Kubrick de strekking van de roman te kort had gedaan door het slot weg te laten. En het stoorde hem dan ook, dat hij voor die film voortdurend ter verantwoording werd geroepen. “Eén van de kwellingen in mijn latere leven is het feit geweest dat iedereen meende dat ik er iets mee te maken had,” schreef hij. “Dat had ik niet.”

Om te laten zien hoe hij het boek zelf in beeld zou hebben gebracht, schreef Burgess er in 1986, zeven jaar vóór zijn dood, een toneelbewerking van. Ook daarin is het geweld expliciet; de regie-aanwijzingen laten niets te raden over. Maar wat bij Kubrick in de lucht bleef hangen, vormt hier een duidelijk slotbeeld: de goedgebekte Alex, die vroeger alles en iedereen in elkaar sloeg en daarna werd geprogrammeerd om onpasselijk te worden bij elke gedachte aan geweld, is nu een schoongewassen jongeman van achttien jaar. Hoofdschuddend beziet hij zijn verleden, als niet veel meer dan een extreme vorm van groeistuipjes. “And all it was was that I was young,” meldt hij. “I am not young, not no longer, ah no.” We komen verder niet te weten hoe het nu met hem zal gaan, maar enigszins gerustgesteld zijn we wel. Het was de jeugd, zegt Burgess, en ach, de jeugd gaat over. De toneelversie van A Clockwork Orange is geënsceneerd met een - als altijd - vakkundige groep studenten aan The London Academy of Music and Dramatic Art en hier geïmporteerd door de stichting Sitos, die vooral voorstellingen organiseert voor leerlingen van middelbare scholen. Hopelijk zijn die er in de klas terdege op voorbereid, want met zijn obscure slang van eigen makelij werpt Burgess een hoge taaldrempel op.

Ook wie de school al is ontgroeid, zal het er behoorlijk moeilijk mee hebben. En toch verdient deze produktie een breder publiek, al was het maar om de bonte taferelen, de snelle afwisseling en de satirische scènes naar Brechtiaanse snit. Burgess heeft zijn hoofdpersoon Alex tot de eloquente ceremoniemeester gemaakt, die de toeschouwer door het verhaal leidt en gaandeweg laat ondergaan wat hij zelf ondergaat. Daarbij maakt hij volop gebruik van de Negende van Beethoven, die ook bij Kubrick de toon zette. Het voornaamste verschil is dat Burgess op die muziek bovendien zangteksten heeft geschreven. Alex, gespeeld als een charmante punker met een geblanket hoofd en een elegante jas tot de kuiten, zingt ze met een stem als die van Johnny Rotten.

Maar de boodschap is uiteindelijk aanzienlijk positiever dan die van de Sex Pistols. Jong zijn is een soort ziekte, zingt Alex, en daarna komt vanzelf de Ode to Joy, die wij kennen als Alle Menschen werden Brüder.

Nooit gedacht dat ik nog eens een grotendeels uit scholieren bestaand publiek een stukje Beethoven zou horen neuriën bij het verlaten van een theaterzaal.