Europa kan nú het vijandbeeld in het Midden-Oosten helpen afbreken

De partijen in het Midden-Oosten zijn oorlogsmoe, maar vermoeidheid leidt niet automatisch tot vrede. Michael Stein vindt dat initiatieven die tot beter onderling begrip en een andere politieke cultuur leiden, krachtige, maar niet in het oog lopende steun behoeven.

Onlangs meldde het semi-officiële Egyptische dagblad Al Ahram (oplage: meer dan een miljoen) op de voorpagina dat de Israelische autoriteiten welbewust 300 Palestijnse kinderen met het aids veroorzakende HIV-virus hadden geïnjecteerd. Het bericht werd begeleid door een vernietigend commentaar, maar later gecorrigeerd. Met excuses aan de lezers: de bron (op Internet) bleek niet juist te zijn geweest.

Zulke verhalen worden sinds jaren door de Egyptische media gebracht, met name door de oppositiepers: dat Israel met aids besmette prostituees en vergiftigde groentes naar Egypte exporteert, alsmede verjaarde en dus schadelijke medicijnen, en kauwgum vol met afrodisiaca, waardoor onschuldige Egyptische maagden plotseling buitengewoon agressief hun erotische verlangens de vrije loop laten. Het Egyptische grondwater in de Sinaïwoestijn zou door een lekkende Israelische nucleaire reactor zijn besmet, Israels voormalige ambassadeur in Kairo (op de leeftijd dat hij nog een schooljongen was) zich aan ernstige oorlogsmisdaden tegen Egyptische krijgsgevangen hebben schuldig gemaakt.

Al deze verhalen dienen hetzelfde doel - een vijandbeeld te scheppen - als de verhalen die in de Middeleeuwen over de joden in Europa werden verspreid: zij vergiftigden waterbronnen, veroorzaakten pest en bakten met het bloed van door hen geslachte christen-kinderen hun matzes. De journalist Amin Howeidi, zoals alle nasseristen, (ex-)communisten en islamisten fel gekant tegen elke toenadering tot Israel, gaf dat in feite toe in zijn artikel van 25 december in het linkse oppositieblad Al Ahali.

Naar aanleiding van de stroom van berichten dat Egyptische gastarbeiders in Israel door de Mossad als spionnen waren geronseld, schreef hij: “De verantwoordelijkheid van hen die spionnen vangen neemt aanzienlijk toe in tijden van vrede en open grenzen. Maar er kleeft één onplezierig aspect aan deze zaak: veel van de opgepakte spionnen waren Egyptenaren - een fenomeen dat in de jaren '50 en '60 niet bestond [...] Zou er een verband kunnen zijn tussen dit fenomeen en open grenzen, privatisering en normalisering (van de betrekkingen met Israel)? Kan het iets te maken hebben met het verval van waarden en de huidige morele chaos? Of met het mengen van vriend en vijand? Ik denk van wel.”

De meeste gruwelberichten (die impliciet ook de Egyptische regering aanklaagden, omdat deze de relaties met Israel weigerde te verbreken) werden niet of nauwelijks door de overheid weersproken. Zeker niet toen Israel in oktober 1994 - buiten Kairo om - een vredesverdrag met Jordanië sloot, wat de relaties ernstig verzuurde. In wijde kring groeide het onbehagelijke gevoel dat Egypte niet langer serieus werd genomen - een door de oppositie breed uitgesponnen thema. Daarop besloot de overheid afstandelijker te worden tegenover de VS en onvriendelijker tegen Israel.

Dat kon omdat Egypte zich na de Golfoorlog tegen Irak een stuk sterker voelde. Het Westen had uit dank voor de verleende politieke steun tijdens de Golfoorlog een belangrijk deel van Egyptes buitenlandse schulden kwijtgescholden, waardoor het armlastige land op financiëel-economisch gebied meer adem kreeg. Tegelijkertijd vormde Egypte, samen met Syrië en Saoedi-Arabië, een politieke trojka, die op een beperkt aantal zaken zijn wil oplegde aan de andere Arabische landen.

De tijd van het zoete en meegaande Egypte was voorbij. Een zelfbewuster Egypte diende zich aan als de belangrijkste regionale mogendheid, woordvoerder en garant van de Arabische belangen. De nu gevolgde pan-Arabische politiek met nadruk op de Egyptische belangen is de overgrote meerderheid van de Egyptenaren uit het hart gegrepen. Minister van Buitenlandse Zaken Amr Moussa, de vertolker ervan, wordt steeds populairder. Velen denken dat hij thans de beste kaarten heeft om president Mubarak op te volgen.

In deze Koude Oorlog speelden de oppositiemedia een belangrijke rol. Zij werden bedreigd, als zij het over corruptie van hooggeplaatsten hadden. Maar als zij over Israel schreven, werd hun geen strobreed in de weg gelegd. Nog voordat Benjamin Netanyahu in mei met zijn agressief-nationalistische uitspraken de verkiezingen in Israel had gewonnen, herhaalden de Egyptische regeringskranten de thema's en scheldwoorden van de oppositiepers. Meer dan ooit was het door de VS gesteunde Israel de aartsvijand, eerst onder leiding van “de oorlogsmisdadiger”, Shimon Peres, daarna onder Netanyahu, “de nieuwe Hitler”.

Het aidsverhaal in het zeer gerespecteerde Al Ahram, plus de correctie erop, is dan ook veelbetekenend. Kennelijk was het nog niet helemaal doorgedrongen dat de regering een iets andere koers probeert te volgen. President Mubarak en minister Amr Moussa hadden op de Israelische klachten altijd geantwoord dat de pers in Egypte vrij is, en de regering geen enkele invloed heeft op wat zij bericht. Maar in september werd de mogelijkheid dat het vredesproces door een oorlog vernietigd zou worden, steeds reëler. Israel en Syrië bedreigden elkaar, Israelische soldaten en Palestijnse politiemannen schoten op elkaar.

Oorlog zou volgens minister Amr Moussa “voor Egypte catastrofaal zijn. Dan zou Sadats politiek, die wij sinds 19 jaar probeerden voort te zetten, voor niets zijn geweest.” Hij zei er niet bij dat Egypte, in geval van een Syrisch-Israelische oorlog, voor een onmogelijke keus wordt gesteld: óf zijn Arabische solidariteit waar maken en óók oorlog voeren, met alle vernietigende consequenties vandien, óf afzijdig blijven en zijn geloofwaardigheid als Arabisch Leider verliezen.

In een lang gesprek met Herbert Pundik en David Kimche beloofde hij dat Egypte alles op alles zou zetten om het vredesproces te redden. Herbert Pundik is de vroegere hoofdredacteur van de Deense kwaliteitskrant Politiken, David Kimche de voormalige directeur-generaal van het Israelische ministerie van Buitenlandse Zaken en de vroegere onderdirecteur van de Mossad. Beiden hadden twee jaar geleden, onder auspiciën van de Deense regering, het Louisiana-project op gang gebracht - genoemd naar een van de mooiste musea van Denemarken. Daar probeerden in het diepste geheim twee groepjes, bestaande uit een paar Egyptische en Israelische intellectuelen, elkaar beter te begrijpen - om zo wellicht de ijskoud geworden vrede tussen hun landen iets op te warmen. De Deense regering gaf alle logistieke steun - naar het voorbeeld van de Noorse regering, die met haar 'Oslo-proces' zoveel succes had geboekt in de voorbereidende vredesbesprekingen tussen Israel en de PLO. Pundiks naar Israel geëmigreerde zoon, Ron, was daarbij nauw betrokken geweest.

De Louisiana-gesprekken boekten echter geen zichtbaar resultaat. Allereerst omdat de Egyptische aanwezigen geen enkele publieke aanmoediging van hun overheid kregen. Maar ook omdat zij onder zware druk van hun achterban stonden. De Egyptische intellectuelen en kunstenaars willen in meerderheid niets weten van toenadering tot Israel, zolang het Palestijnse probleem niet in al zijn aspecten bevredigend is opgelost. Op grond van financiële redenen: zij zouden zich, zoals sommige hardleersen onder hen ervoeren, kunnen afsnijden van een profijtelijke markt in en buiten Egypte. En op grond van ideologische redenen: Egypte heeft zich altijd beschouwd als de peetvader van de Palestijnen. Zoals Lutfi al-Kholi, de Egyptische delegatieleider, het uitdrukte: “Wij waren Palestijnser dan de Palestijnen.” Vorige week werd hij al door een paar kranten voor “verrader” uitgemaakt wegens zijn aandeel in het Louisiana-project.

Tevergeefs probeerden de Egyptenaren aan hun Israelische geprekspartners uit te leggen hoe vernederd Egypte zich voelt door een 'dominant' Israel, dat conform zijn eigen belangen 'een Nieuw Midden-Oosten' wil scheppen. Tevergeefs probeerden de Israeliërs duidelijk te maken dat zij in eigen land nauwelijks of geen respons krijgen, zolang de vrede met Egypte door zoveel vijandschap wordt begeleid.

Om de impasse te doorbreken, stelde Amr Moussa in september voor Palestijnen bij de Louisiana-gesprekken te betrekken. Dan zouden de aanwezige Egyptenaren meer rugdekking krijgen en in eigen land meer legitimiteit. David Kimche ging akkoord, maar stelde voor ook Jordaniërs uit te nodigen, omdat koning Hussein groot belang heeft zijn eigen 'warme' vrede met Israel aan zijn sceptische publieke opinie te verkopen.

Zo werd vorige week in het Louisiana-museum de Internationale Alliantie voor Arabisch-Israelische Vrede opgericht - met als doel het vredesproces “niet slechts aan de regeringen over te laten”, maar te onderbouwen “door contacten tussen de volkeren”. Dat betekent meer normalisering tussen Israel en de Arabische wereld. Aan de andere kant onderschreven de Israelische ondertekenaars een groot aantal Arabische eisen:

vrede, uiteindelijk ook met Syrië en Libanon, op basis van het (door Netanyahu tot dusver verworpen) principe Land-voor-Vrede en conform de Veiligheidsraadresoluties 242, 338 en 425;

het recht van het Palestijnse volk op zelfbeschikking en een eigen staat, na een akkoord daarover tussen Israel en de PLO;

geen nieuwe joodse nederzettingen in de bezette gebieden en geen confiscatie meer van Palestijnse staats- of privé-landerijen;

regeling van de kwestie-Jeruzalem, conform het principe dat de behoeften van alle partijen bevredigd moeten worden;

regionale afschaffing van de massavernietigingswapens en hun lanceerinstallaties.

De Internationale Alliantie voor Arabisch-Israelische Vrede wil op korte termijn projecten starten die aan de bevolkingen duidelijk moeten maken dat vrede zowel een collectief- als een eigenbelang is. Want de vrede die tot dusver werd opgebouwd, is niet, zoals Yasser Arafat voortdurend herhaalt, “de vrede der dapperen”. Het is een vrede van dodelijk vermoeiden, die de oorlog voor het moment niet zien zitten, maar nog niet bereid zijn de tegenpartij en haar behoeften als legitiem te erkennen. Zoals de vroegere Jordaanse minister Adnan Abu Odeh het uitdrukte: “Wat Israel als concessies ziet, beschouwen de Palestijnen als hun rechten.”

De oorlogsmoeheid is onvoldoende waarborg om het vredesproces in een permante vrede om te zetten. In de jonge natiestaten van het Midden-Oosten, waar tribale cultuur en traditionele normen en waarden nog zo'n belangrijke rol spelen, zijn zeer velen als de dood hun identiteit te verliezen in een geglobaliseerde, onbegrijpelijke wereld. Een wereld die de politiek correcte termen hanteert van democratie en vrede, maar in feite geregeerd wordt door de combinatie van technologie en computers, steeds hardere concurrentie en sneller vermaak, McDonald's en free love for all.

Die angsten spelen de tegenstanders van de vrede in de kaart - zowel in de Arabische wereld als in Israel. Dan worden de Israeliërs tot honden, apen en gifmengers bestempeld, en de Palestijnen tot volgelingen van Adolf Hitler en aartsterroristen. Daarom zijn gemeenschappelijke en grensoverschrijdende activiteiten van een niet-gouvernementele organisatie als de Internationale Alliantie voor Arabisch-Israelische Vrede van zo'n groot belang. Zij kunnen de thans nog beperkte civil societies aanmoedigen om niet langer passief de gebeurtenissen af te wachten, maar de tegenstanders van de vrede in hun midden de oorlog te verklaren.

Europa, dat zo graag een rol wil spelen in het vredesproces, doet er goed aan deze Alliantie met ruime middelen te steunen. En nu eens niet publiekelijk met veel tamtam, maar juist achter de schermen. Teneinde de volkeren in het Midden-Oosten in de gelegenheid te stellen zélf hun gemeenschappelijke projecten te starten, die niet alleen de belangen dienen van de elites, maar ook van de gewone man.