Een Twentse wereldpremière voor een Duitse opera die nog Italiaanser blijkt dan gedacht; Wagners Der fliegende Holländer in oervorm

Voorstelling: Der fliegende Holländer van R. Wagner door de Nationale Reisopera en Orkest Messiaen Academie o.l.v. Marc Minkowski m.m.v. Florian Cerny, Donald Schweikart, Cécile Perrin, Albert Bonnema, Lucia Meeuwsen en Patrick Henckens. Decors: Mirjam Grote Gansey; kostuums: Rien Bekkers; licht: Reinier Tweebeeke; regie: Peter te Nuyl. Gezien: 31/1 Twentse Schouwburg Enschede. Herhalingen: t/m 1/3.

Aan het eind van de week waarin de Nederlandse Opera en Sir Simon Rattle een opzienbarende uitvoering brachten van Wagners Parsifal, ging in Enschede nog een hoogste opmerkelijke Wagner-opera: Der fliegende Holländer beleefde bij de Nationale Reisopera zijn eerste uitvoering in de oerversie, 154 jaar en 29 dagen na de wereldpremière in Dresden.

Het gaat hier om een nooit uitgevoerde vroege versie die in manuscript bewaard bleef en ook door Wagner zelf nooit is gehoord. Voor de wereldpremière was de partituur al flink bijgewerkt door Wagner, die er later ook nog vele veranderingen in aanbracht. Die gaven het werk de vorm waarin we Der fliegende Holländer nu kennen: de eerste Wagneropera na Die Feen (1833), Das Liebesverbot en de 'grand opéra' Rienzi (1841) die repertoire hield en met zijn twee uur zonder pauze niet alleen 'on-Wagneriaans' kort is, maar ook dramatisch en muzikaal een sterk en effectvol opgebouwd verloop heeft.

De muziekuitgever Schott kwam in 1982 met een gedrukte uitgave van de partituur van die oerversie, zonder de orkestpartijen. De uit Dresden afkomstige Hartmut Haenchen, die deze 'oerpremière' enkele jaren geleden bij de Nederlandse Opera had willen brengen, zag toen teleurgesteld maar geheel van het dirigeren van de opera af.

De Nationale Reisopera heeft het initiatief genomen dat orkestmateriaal alsnog te laten vervaardigen, zodat we nu voor het eerst kunnen horen hoe het stond met het componeren van Wagner in 1842, kort vóór de première van Der fliegende Holländer. Bovendien zijn de situering van de handeling en de naamgeving van een aantal personages naast de Hollander en Senta anders: het verhaal speelt nog, zoals bij Heine, in Schotland en niet, zoals later, in Noorwegen. Senta's vader Daland heet hier Donald en haar geliefde Erik is Georg. De naam van de voedster Mary is nooit veranderd, maar nu beter te begrijpen.

Ook de regieaanwijzingen bij het slot zeiden in deze versie nog niet dat de Hollander en Senta na hun dood in de golven uit het water moesten oprijzen, waarbij hij haar in de armen houdt. In de tijd van het regisseurstheater heeft zo'n aanwijzing zijn dwingende karakter verloren en valt geheel binnen de marge van de interpretatie. Maar ook bij de enscering van deze oerversie houdt regisseur Peter te Nuyl zich niet aan het destijds door Wagner bedoelde slot. Senta wordt hier zelfs door Georg doodgeschoten. Of overleeft ze die aanslag? In ieder geval verlost ze de Holländer uit zijn lijden aan de duivelse vloek waaraan hij zijn verdoemde leven dankt: ze 'verenigt' zich met hem door zijn oliejas aan te trekken. Dan is daar beider definitieve dood.

Het interessante van deze partituur is dat hier de oorspronkelijke muzikale basis van Der fliegende Holländer nog veel duidelijker tot uiting komt dan in de gebruikelijke versie, die ook 'latere Wagner' bevat. Curieus aan de bekende versie van Der fliegende Holländer zijn niettemin altijd die vlagen Italiaanse opera, vooral in het duet tussen de Hollander en Daland. Deze versie heeft nog meer het karakter van een werk dat men bij argeloze eerste beluistering niet onmiddellijk als Wagner zou herkennen maar zou plaatsen tussen Bellini, Donizetti en de vroege Verdi aan gene kant der Alpen, en Carl Maria von Weber aan deze zijde.

De invloed van de Italiaanse vroeg-romantiek blijkt het duidelijkst in de balade van Senta, die hier een noot hoger genoteerd staat dan nu gebruikelijk. De verlaging daarvan op verzoek van de eerste Senta, de beroemde Wilhelmina Schröder-Devrient, is sindsdien gehandhaafd. De goede hoge vertolking van de sopraan Cécile Perrin leidt nu tot pure belcanto-topnoten. Overigens is het merkwaardig te bedenken dat de muzikale uitvoeringshistorie die benedenwaartse transponering van deze ballade al weer goeddeels had ingehaald. De in de praktijk nog steeds opkruipende a ligt inmiddels een stuk hoger dan destijds!

De ballade krijgt in deze hoge ligging een nog veel sterker geëxalteerd karakter, waardoor die het Duitse equivalent wordt van de Italiaanse waanzinscène, in dit geval een visioenscène met de verschijning van de Hollander. Georg's verhitte, verwijtende vertelling over hun ontluikende liefde is daarop het passende antwoord van de tenor, dat in het bekende Italiaanse voorbeeld Lucia di Lammermoor ontbreekt. Daarbij komen dan nog de collectieve hallucinatie en hysterie in het lied Steuermann lass die Wacht.

Het 'on-Wagneriaanse' van deze versie wordt nog versterkt door de muzikale uitvoering die los staat van elke ervaring met dit stuk of Wagners latere oeuvre. Niet de voorafschaduwing van de late Wagner moeten we hier horen, uitsluitend de vroege Wagner die ondanks zijn pretenties in zijn streven naar internationaal succes nog plooibaar was en tegemoet kwam aan de toenmalige theaterpraktijk. Maar het is onduidelijke in hoeverre deze uitvoering representatief is voor deze versie.

De barokspecialist Marc Minkowski dirigeert hier in al te vliegende tempi zijn eerste Wagner met een orkest, dat voor het grootste deel afkomstig is van de Messiaen Academie, de samenwerkende conservatoria van Enschede, Zwolle en Arnhem. Jeugdorkesten lijken vaak hun professionale collegae te kunnen evenaren, maar dit orkest ontbreken daartoe, vooral bij de koperblazers, veel te veel technische capaciteiten.

Men mag zich afvragen of men dit een dirigent mag aandoen en wellicht ook of men zó'n orkest deze dirigent kan aandoen. Vooral is de vraag of hiermee het publiek nog wel een serieuze voorstelling krijgt. Ook de zangersprestaties zijn meestal slechts een schim van wat men in een ècht zinderende uitvoering van Der fliegende Holländer hoort. Het is te hopen dat de Reisopera, die zelfs Parsifal en Tristan und Isolde wil gaan brengen, zichzelf daarvoor radicaal andere kwaliteitsnormen oplegt.

De regie van Peter te Nuyl, die zijn ideeën over de macht van de duivel in de tijd dat God door Nietzsche werd dood verklaard, uitvoerig uiteenzette in het Cultureel Supplement van 24 januari, levert een voor zo'n normaal toch altijd overweldigende opera een al te eenvoudige voorstelling op. Zo hebben de projecties van de 'God is dood'-teksten op het 'zeil' boven de scène zeker niet de dreigende werking van een oud-testamentisch Mene tekel.