Dateringen (1)

“Met een 'blikje' bedoelt men een trommel of bus, van blik vervaardigd.” Dat schreef ingenieur A. Vosmaer in 1928 in zijn vermakelijk eigenzinnige Encyclopaedie van materialen en hun eigenschappen.

De doorsnee lezer zal bij deze zin de schouders ophalen, maar het hart van de etymoloog - de vorser naar de geschiedenis van woorden - gaat er sneller van kloppen. Hij zal zich onmiddellijk afvragen waarom Vosmaer 'blikje' tussen aanhalingstekens zette. Was dit toen soms een nieuw woord? Of was alleen de genoemde betekenis nieuw? Er moet iets mee aan de hand zijn, anders hadden die aanhalingstekens daar niet gestaan.

Wat de etymoloog vooral zal opwinden is dat hij hier mogelijk een vroege datering van een woord bij de kladden heeft.

Etymologen willen van alles over een woord weten. Of het een erfwoord, een nieuwvorming of een leenwoord is bijvoorbeeld. En als het een leenwoord is, uit welke taal komt het dan en welke omzwervingen heeft het gemaakt? Welke vorm- en betekenisveranderingen heeft het in de loop der tijden ondergaan? En: sinds wanneer komt het in het Nederlands voor?

Vooral die laatste vraag is vaak lastig te beantwoorden. Het belang is er niet minder om: een woord zonder datering is als een biografie zonder jaartallen. Erg interessant hoor, wat de hoofdpersoon daar meemaakt, maar in welke eeuw leefde hij in 's hemelsnaam?

Het zoeken naar dateringen van woorden is een moeizame, buitengewoon tijdrovende en niet ongevaarlijke sport. Vooral in Engeland en Frankrijk wordt hij allang en met veel succes beoefend, maar in Nederland staat hij nog in de kinderschoenen. Enkele uitzonderingen daargelaten, beginnen Nederlandse etymologen pas de laatste jaren serieus werk te maken van het dateren van woorden.

Hoe kom je er nu achter hoe oud bijvoorbeeld een bepaald leenwoord is? Door het na te zoeken in oude woordenboeken. Je moet soms tientallen lexica ter hand nemen om het te vinden. En dan nog heb je slechts een leeftijdsindicatie, want als het goed is neemt een woordenboekmaker een begrip pas op als het is ingeburgerd. Dat kan na twintig of dertig jaar zijn, maar het kan ook veel langer duren. Zo is in de laatste druk van de Grote Van Dale het woord olibrius toegevoegd, dat 'snoever' of 'pochhans' betekent. Nieuw woord? Welnee, Kramers nam het al in 1863 op. Het verwijst vermoedelijk naar een Romeins senator die in 462 keizer werd maar wegens ongeschiktheid spoedig moest aftreden. Waarom olibrius in 1992 - 129 jaar na Kramers - alsnog is opgenomen in de Grote Van Dale, is een raadsel. Vieze woorden en scheldwoorden hebben er vaak vele honderden jaren over gedaan om een plaatsje in een woordenboek te veroveren. Sommige staan er nog steeds niet in.

Doordat woordenboekmakers van nature behoudend zijn, vertrouwt de etymoloog bij het dateren van woorden liever op oude teksten. Maar ook dat is niet zonder gevaren. Zo gebruikte Jacob van Maerlant omstreeks 1270 in Der naturen bloeme het woord boa. Kun je nu zeggen dat deze slangennaam vanaf de 13de eeuw in Nederland wordt gebruikt? Nee, want pas in de 19de eeuw duikt hij opnieuw op. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de tarantula: één keer aangetroffen bij Van Maerlant, daarna nog een keertje aan het eind van de 18de eeuw, maar pas sinds de 19de eeuw regelmatig gebruikt.

Nu kun je je als etymoloog liever baseren op oude teksten dan op woordenboeken, maar het is natuurlijk onbegonnen werk om alle Nederlandse teksten sinds hebban olla vogala door te vlooien. Daarom zijn alle etymologen ook zo blij dat het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) onlangs op cd-rom is gezet. Het WNT is het wetenschappelijke mammoetwoordenboek waaraan sinds 1864 wordt gewerkt. Ze zijn nu bij de z, en hard op zoek naar de oudste bewijsplaats voor zzz als klanknabootsing voor slapen (wie weet die te vinden?). Je kunt de cd-rom van het WNT als woordenboek gebruiken, maar ook als een gigantische verzameling historische teksten. Er zijn ruim 12.000 bronnen in verwerkt uit de periode 1500-1921 en in totaal bevat de cd ruim veertig miljoen woorden. Wat een vijver om in te vissen! Je hoeft je hengel maar uit te werpen om iets interessants te vinden.

Natuurlijk legt de cd-rom genadeloos een aantal zwakke plekken van het WNT bloot. Dat geldt ook voor de dateringen van woorden. Zo wordt het trefwoord deponeren alleen geïllustreerd met een bewijsplaats uit 1872. Maar bij het lemma alzoo staat een citaat waarin deponeren al in 1495 voorkomt. 377 jaar eerder! Hans Geluk, een student uit Leiden, nam onlangs een steekproef met ruim honderd woorden. Hij kwam tot de conclusie dat het WNT materiaal biedt om de datering van een woord met gemiddeld 110 jaar te vervroegen. Gemiddeld, want hij telde ook verschillen van slechts een paar jaar mee.

Van hoeveel Nederlandse woorden is de ouderdom nou nagezocht? Dat is niet precies bekend, maar dit najaar zal de tweede editie van het etymologisch woordenboek van Van Dale verschijnen en daarin zijn voor het eerst alle 30.000 woorden gedateerd. Dat is natuurlijk prachtig, maar ter vergelijking: de Grote Van Dale bevat 240.000 woorden. Het blijft dus een schijntje, zeker in vergelijking met de ons omringende talen.

Veel onderzoek blijft dus nodig en daarbij speelt ook toeval een grote rol. Soms vind je op een onverwachte plek een woord dat veel jonger of ouder is dan je had gedacht. De volgende aflevering geeft daarvan enkele voorbeelden. Nu alvast een oproep: willen de bedenkers van woorden als aaibaarheidsfactor, chipknip, chipper, flitstrein, gekke-koeienziekte, onthaasting, opperlands, treurbuis, vouwfiets, zoab etcetera, hier melden waar en wanneer ze dit woord precies lanceerden. Dat scheelt straks BERGEN werk.