Winter op de Boardwalk

Badplaatsen in de winter zijn een poosje de mode geweest bij de school van Franse cineasten die zich specialiseerden in de film noir. Geen wonder. Als ergens je de vergankelijkheid aan je verstand wordt gebracht dan is het op een mistige, koude boulevard in januari, de ramen van de hotels en het vermaak dichtgetimmerd, het strand leeg, de branding grauw, het gekrijs van de meeuwen en verderop in je blikveld alleen een wat dwars dravend, oud hondje, de laatste levende ziel met wie je je verwant voelt.

Het hondje weet kennelijk waar het moet zijn, het slaat vastberaden een zijstraat in. Dat voltooit de verlatenheid. Wellust van de melancholie.

Om het weer eens te proberen ben ik op een gure middag naar Coney Island gegaan. De Amerikaanse melancholie is anders dan de Franse. Ruwer? Rauwer? Directer? Anders gestoffeerd? Moeilijk te zeggen. Er is geen samenvattend woord voor. Er is maar één manier om erachter te komen: door het zelf te beleven. Neem om te beginnen de B- of de D-trein naar het eindpunt; dat is de beste manier om eraan te wennen. Zolang je onder de grond voortrammelt is het een gewone subway, vol mensen die in diepe concentratie aan zichzelf denken of aan helemaal niets, of slapen.

Aan de andere kant van de rivier gaan er steeds meer uit zodat je de overgeblevenen beter kunt bekijken. Daar zit een jong paar, de jongen trilt onophoudelijk met zijn rechtervoet, het meisje is verdiept in een stripboekje, een plaatjesroman waarvan het omslag een aanwijzing over de inhoud geeft: een dame in lingerie. Met een pistool bedreigt ze iemand die buiten beeld is. De tekenaar heeft niet voor niets gewerkt; ze leest/kijkt in haar boekje alsof ze de laatste openbaringen in handen heeft, en misschien is dat ook wel zo. De voet van de jongen trilt verder. Bij New Utrecht Avenue gaan ze eruit.

Na nog een paar stations gaat het traject boven de grond verder: de inleiding op het verschil tussen noir in Frankrijk en hier. Waar je ook kijkt, er is niets dat niet oud, geroest, verweerd, vermolmd, scheef, of gehavend is of van graffiti voorzien. Links en rechts de straten met telegraafpalen tot aan de horizon, opschriften, neon, reclameborden, en overal auto's, auto's. De stad in steen gerafeld, schots en scheef, gekarteld, oud en afgebeuld onder de loodgrijze winterhemel.

Bij ieder station gaan er mensen uit de trein, niemand stapt meer in, ten slotte deel je het rijtuig met alleen nog een dronken dakloze die toch nog een grote radio bij zich heeft en op dit ogenblik heeft gewacht om het ding zou hard mogelijk aan te zetten. Frank Sinatra, My Way. Eindpunt. De dakloze wil blijven zitten maar wordt eruit gecommandeerd.

Dit station heeft twee verdiepingen. De trap af. Die eindigt in een ruime, schemerige catacombe vol plassen van het lekwater. Er zijn twee uitgangen, je kiest de verkeerde, moet door de volle breedte van de catacombe terug, en dan: Coney Island, buitenlucht, de Boulevard. Aan deze kant is de antiek- en rommelmarkt, het meeste achter rolluiken. Drie kramen zijn open. De eerste verkoopt gebroken spiegels in gebladderde lijsten en meubels met kapotte zittingen, de tweede handelt in aangevreten bontjassen, de derde in krom gereedschap. Russen, zo te horen. Aan de overkant zijn 's zomers de hamburgers en de ijsco's te koop. Nu ligt dit alles achter het roestig pantser van de luiken. Eén café is open: daar zitten vormeloze wintermannen bier te drinken en naar de televisie te kijken.

Achter de lage strook van horecagebouwtjes rijzen de geweldige geraamtes ten hemel: de grote Roller Coaster, de kleinere achtbaan en het reuzenrad. Nu zijn ze afgeschermd door hekwerk dat bekroond is met prikkeldraad, het enige metaal dat er nieuw uitziet. Naar de Boardwalk en de zee is het nog een tweehonderd meter. Op je wandeling word je begeleid door het gemeen geblaf van de tientallen honden die de attracties bewaken. Verder is er niemand, op een haastig overstekende bruine rat na. Niet te klagen: zelden zie je zo'n formidabel exemplaar.

En dan waarvoor je eigenlijk bent gekomen: de Boardwalk, het uitgestrekte plankier, de houten boulevard, het brede strand, en de zee met de meeuwen. Daar ben je degene die je voor de gelegenheid hoopte te zijn: de laatste mens ter wereld. Toch maar even naar het water, eerst door het mulle zand en dan over het harde gedeelte, en met één voet, je schoenzool even in de zee. Dat is dat. Op de terugweg zie je iets geels uit het zand steken. Een vondst. Het is een plastic kinderschepje. Dat geeft deze winterreis het bewijs van blijvende waarde.