Werken uit wanhoop

Naar de stellige overtuiging van Frank de Grave willen 830.000 van de 860.000 arbeidsongeschikten weer dolgraag aan de slag. De staatssecretaris van Sociale Zaken zei dat onlangs in een interview met Het Parool, waarin hij de zegeningen van de nieuwe ziektewet toelichtte.

Laten we eens aannemen dat de uitspraak van De Grave waar is. Net zo waar als de talloze andere statements van zijn paarse collega's die er steeds op neerkomen dat de bijna twee miljoen uitkeringtrekkers in ons land staan te popelen om zich nuttig te maken op de arbeidsmarkt.

Laten we dus aannemen dat de ambtenaren op het departement van Sociale Zaken de werklust bij de het inactieve deel van de bevolking nauwkeurig in kaart hebben gebracht, is er dan ook een theorie waarmee we deze enorme arbeidsmotivatie kunnen begrijpen? Zo'n theorie is nodig want zonder een afdoende verklaring zullen de meeste burgers de harde cijfers van De Grave en de zijnen toch blijven wantrouwen.

Welnu, de vraag waarom de werkloze graag wil werken kan op verschillende manieren worden beantwoord. De eerste gedachte is dat dat vanwege het geld is. Deze theorie verklaart wel veel, maar nu juist niet de werkwilligheid van de uitkeringsgerechtigden. Zij hebben allemaal al een inkomen en de banen die de overheid hun in het vooruitzicht stelt, leveren geen cent meer op. Toch wil de overgrote meerderheid dolgraag aan de slag. Ra, ra, hoe kan dat?

Om dat te verklaren hanteren de politici meestal een andere theorie: werken is gezellig. Het levert sociale contacten op en dat geeft mensen het gevoel dat ze ergens bijhoren. De bekende integratiegedachte. Het nadeel van deze theorie is dat ze net zo goed opgaat voor andere bezigheden, zoals kerkbezoek, sport en klaverjassen.

De superioriteit van werk ten opzichte van deze andere activiteiten is met de integratietheorie moeilijk te beargumenteren. Juist in het geval van de langdurig werkloze zal de theorie voorspellen dat hij eerder in het café zal gaan klaverjassen dan zich aan te melden voor een Melkertbaan waarin hij in zijn dooie uppie de kalklijnen op een voetbalveld moet uitrollen.

De derde veelgehoorde theorie, vooral bij de liberalen, is dat de mens in het werk de hoogste staat van zelfontplooiing bereikt. Maar ook voor deze mystieke gedachte geldt dat het onduidelijk is waarom dat nu alleen via de arbeid gebeurt. Als de mens een plant is, zal hij toch ook op andere plaatsen kunnen bloeien dan achter een bureau in een kantoortuin. Ook van deze theorie is de voorspellende waarde dus uitermate gering.

De enige theorie waarmee we verder komen is de theorie van de verveling. Het is, denk ik, geen politiek correcte theorie, maar ik heb er persoonlijk goede ervaringen mee. Twintig jaar geleden, tijdens de voorbereiding van een moeilijk tentamen theoretische sociologie, ontdekte ik haar bij toeval in een boekje dat helemaal niet op de lijst stond. Ik had het in een aanval van acute demotivatie zomaar uit de kast geplukt. Sindsdien hangt de theorie van Baudelaire boven mijn schrijfmachine en iedere keer als het werk niet wil vlotten, neem ik haar even door en vervolg ik fluitend de arbeid.

Volgens Baudelaire, in zijn 'Mon coeur mis à nu', werken wij mensen omdat we niet anders kunnen. “Il faut travailler, sinon par goût, au moins par désespoir, puisque, tot bien verifié, travailler est moin ennuyeux que s'amuser”, noteerde hij trefzeker in zijn dagboek. Wanhoop en verveling zijn dus de krachten die ons op de arbeidsmarkt voortdrijven, volgens de dichter. Zwartgallig, zeker, maar daarom niet minder waar.

In ons 'fin du siècle' is deze theorie nog net zo bruikbaar als in het zijne. Je kunt er heel goed mee verklaren waarom de langdurig werklozen zo graag aan de slag willen: het is klaarblijkelijk wat hen betreft nu leuk genoeg geweest. Ze zijn uitgekeken op Koffietijd, Het Rad van Fortuin, Catharine Keyl en de rest uit Ome Joops Pretfabriek. Ze willen niet nog eens met de bus naar Marbella of voor de zoveelste maal naar het buurthuis voor een cursus fimo-kleien. Ze willen de Celestijnse Belofte niet meer doorpraten met gelijkgezinden of de hele dag stoned rond de pooltable hangen. Ook het rondrijden in gestolen sportauto's begint te vervelen. Zelfs de multimediacomputer biedt geen soelaas meer. Al de URL's op de elektronische snelweg hebben ze bezocht en de hele wereldvoorraad spelletjes is gedownload. In deze uitzichtloze situatie is iedere nieuwe vorm van verveling uiteraard een godsgeschenk.

We kunnen dus met de theorie van Baudelaire voorspellen, dat de vloed van amusement waarmee de inactieve burger in onze tijd bestookt wordt, automatisch de grote werkwilligheid genereert waar Paars zo vast op rekent. De theorie maakt begrijpelijk dat de duizenden stomvervelende Melkertbaantjes, ook al zakken ze ver onder het minimumloon, historisch gezien het beste alternatief vormen voor de wanhoop die zich opstapelt in het hart van de uitgespeelde werkloze. Dit allemaal onder het voorbehoud dat de cijfers waarover Frank de Grave beschikt kloppen. Als dat niet het geval is en de animo bij de afgeschatte WAO'er om de kalkroller uit de schuur te halen vies tegenvalt, kunnen er twee dingen aan de hand zijn. Of Baudelaire heeft ongelijk, òf de politiek loopt met haar banenplannen en de afschaffing van het minmumloon te ver op de zaken vooruit. In dat laatste geval adviseer ik de politici nog even te wachten.