Van Walcheren

Vóór de hoofdlaborant van het AW-labo tien jaar geleden in loondienst kwam, had hij een eigen burootje waar hij van alles onderzocht. Van de mensen die hij daarvoor bellen moest schreef hij de namen en telefoonnummers op systeemkaartjes die hij in een zelfgetimmerd bakje deed.

Later kreeg hij een speciaal plastic bakje waar ze ook goed in pasten. Maar toen hij, met de tijd meegaand, een computer installeerde kwam er een elektronisch adressenbestand en raakte het bakje in onbruik. Het werd van lieverlee gebruikt als depot voor visitekaartjes die tegenwoordig als bloesemblaadjes worden rondgestrooid.

De laborant kreeg kennis aan een alleenstaande vrouw en ook nageslacht en bezocht zijn kantoortje nog maar een of tweemaal per week. Afgelopen dinsdag was er gedoe met naheffingen en deed hij er noodgedwongen administratief werk. Op zeker moment valt zijn oog op het uitpuilende bakje waarin zich in die tien jaar stofvlokken en dode diertjes hebben verzameld. Dat zal hij eens opruimen. Hij besluit de visitekaartjes te bewaren, er zijn heel mooie tussen, maar alle systeemkaartjes weg te gooien. Wat heb je aan verouderde telefoonnummers en overgeplaatste woordvoerders. Het hele zootje gaat de vuilnisbak in, maar zonder dat hij kan zeggen waarom laat hij één systeemkaart de dans ontspringen. Het is een kaartje met de naam van een gepensioneerd civiel ingenieur, een betonspecialist met een zwak voor wiskunde, die destijds wel eens opbelde met een technische aanvulling of correctie. In 1986 was Van Walcheren voor het laatst aan de lijn geweest en de vraag was of-ie überhaupt nog leefde. Van Walcheren krijgt een plaats vóór in het plastic bakje en kijkt over de rand daarvan de kamer in.

De rest van de middag verloopt volgens plan en net zal de laborant weer op zijn brommer stappen of de telefoon gaat. Nooit gaat er de telefoon, maar nu gaat-ie. Van Walcheren. “Misschien herinnert u zich mij.” Van Walcheren had zich geërgerd aan de laatste Wetenschapsbijlage waarin iets vanzelfsprekends had gestaan en begint over de verdwenen bibliotheek van de wiskundige Brouwer. Maar eigenlijk had hij helemaal geen tijd voor een gesprek. Bovendien: “Ik ben nu 77, dus ik neem wat afstand van de dingen.” Zevenenzeventig, denkt de onthutste laborant, dat moet ik eens op dat kaartje zetten, ik zal erbij zetten: plusminus 1920 en hij pakt het kaartje. Maar het staat er al.

Thuis vertelt hij van zijn griezelige avontuur en 's nachts krijgt hij een zweetaanval als hem te binnen schiet dat hij net een dag eerder het boek 'Innumeracy' van de wiskundige John Allen Paulos (Hill and Wang, 1988) had doorgekeken. Net de paragraaf waarin de vloer wordt aangeveegd met mensen die bovennatuurlijke krachten willen zien in krasse toevalligheden.

Gelukkig kan hij de volgende ochtend terugrekenen dat dat van dat boek minstens vijf dagen eerder moet zijn geweest, want het ligt nog in zijn kantoortje. Dezelfde dag gaat hij terug, neemt dan ook Paulos' 'A mathematician reads the newspaper' (Basic Books, 1995) mee en onderzoekt nog eens het plastic bakje. Er zitten 231 visitekaartjes in plus dat ene kaartje van Van Walcheren. Plusminus 1920. Uit de vuilnisbak vist hij 77 systeemkaartjes.

Het kenmerk bij uitstek van de 'ongecijferde' is dat hij zo gretig een bovennatuurlijke invloed wil zien in een toevallige samenloop van omstandigheden, schrijft Paulos. Vooral in zijn eerste boek haalt hij flink uit naar New Age-adepten en horoscooptrekkers. Ze doorzien niet hoe indrukken en feiten onbewust worden weggefilterd om het gewenste wonder te behouden. Men droomt van meneer X, dertig jaar niet gezien, en ziet hem de volgende dag op straat. Kras, maar misschien was er wel elke maand van X gedroomd en werd de droom alleen herinnerd omdat hij op straat werd gezien. Of werd hij wekelijks op straat gezien maar alleen na die droom herkend. Of is van honderden andere mensen gedroomd, twintig jaar niet gezien, en nog steeds niet gezien.

Maar Paulos werkt de coïncidentie, vooral de hier beschreven synchroniciteit à la Jung, niet erg uit, terwijl er toch voldoende aan te rubriceren of analyseren valt. Liever concentreert hij zich op een ander soort toevalligheden dat eigenlijk te flauw is voor woorden, bij voorbeeld: dat president Lincoln een secretaris had die Kennedy heette en dat Kennedy een secretaris had die Lincoln heette. Hij citeert de Nederlandse astronoom C. de Jager die eens berekende dat het kwadraat van de doorsnede van zijn fietspedaal, vermenigvuldigd met de wortel uit het product van de diameter van zijn bel en koplamp precies gelijk was aan 1816, de verhouding tussen de massa van een proton en een electron.

Het aardige van de kwestie Van Walcheren is dat hij beter is te objectiveren/kwantificeren dan al die dromen en toevallig gevonden citaten en dergelijke. Het adressenbestand was maar één keer eerder opgeschoond (bij de gang naar het plastic bakje) en de gebeurtenissen werden door twee personen bewerkstelligd. De clou schuilt in dit geval in het ontbreken van volmaakte gelijktijdigheid. Het was mooier geweest als Van Walcheren vier minuten, of liever nog: vier seconden, na het opschonen van het bakje had opgebeld. Nu was het vier uur. Vier dagen was ook nog wel aardig geweest, vier weken veel minder, vier maanden: helemaal niet meer. In de waardering van het interval tussen de twee gebeurtenissen schuilt willekeur.

Ach, het kan natuurlijk ook zijn dat Van Walcheren wekelijks tevergeefs naar het onbewoonde kantoortje belde. Dan zou er helemaal niets aan de hand zijn. Dus opbellen. Maar nee, 't was voor het eerst sinds 1986. De impuls kwam vlak voor dat hij de hoorn had gegrepen. Zelf ziet hij er niets bijzonders in. Liever spuit hij zijn gal over de laatste spellingshervorming waar hij niet meer aan beginnen gaat. “Ik ben van 1919, dus ik heb er al vijf achter de rug.”