Van Mierlo moet Indonesië kapittelen

De Indonesische regering heeft het al een paar jaar voorzien op vakbondsleider Muchtar Pakpahan. Hij heeft, meer dan wie ook, de onrechtvaardigheden in de arbeidsverhoudingen in zijn land aan de kaak gesteld en aandacht gevraagd voor de uitbuiting en rechteloosheid van Indonesische werknemers.

Daarbij heeft Pakpahan zich ontpopt als een scherp criticus van het regime-Soeharto. Hij is uitgegroeid tot een opposant met nationale bekendheid. Maar hinderlijker voor het regime is, dat hij, met name in Europa en Noord-Amerika, een gerespecteerde figuur is geworden naar wie wordt geluisterd door invloedrijke personen en organisaties.

Nadat de machthebbers een paar pittige waarschuwingen hebben uitgedeeld aan de even moedige als koppige Noordsumatraan, zijn ze hem nu kennelijk zat. Sinds medio december staat hij terecht in een proces dat vele kenmerken draagt van een politiek schijnproces.

Het is van belang dit onder de aandacht te brengen van de Internationale arbeidsorganisatie (ILO) en de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties. Van daaruit kan druk worden uitgeoefend op de Indonesische regering om een eind aan de vertoning te maken, Pakpahan verder met rust te laten en zijn vakbond Serikat Buruh Sejahtera Indonesia (SBSI) de gelegenheid te geven ongehinderd de belangen te verdedigen van zijn leden. Nederland kan en moet helpen deze druk op te voeren.

De ILO, de gespecialiseerde organisatie voor arbeidsvraagstukken van de Verenigde Naties, kritiseert Indonesië al meer dan twintig jaar vanwege schendingen van het Verdrag op de vrijheid tot collectief onderhandelen. Indonesië heeft zich tot nog toe maar weinig van die kritiek aangetrokken.

Recent heeft de ILO klachten behandeld van Pakpahans vakbond. Die betroffen de weigering van het Indonesische bewind om de SBSI als vakorganisatie te erkennen, en de straffe repressie jegens leiders en activisten van de bond.

De conclusies en de dringende aanbevelingen van de ILO logen er niet om. Na hoor en wederhoor werd onder meer vastgesteld, dat Pakpahan gearresteerd en gevangen is gezet niet vanwege allerlei politieke agitatie, maar omdat zijn vakbondswerk de autoriteiten niet bevalt. Tot twee keer toe heeft de ILO de Indonesische regering opgeroepen Pakpahan onmiddellijk in vrij te laten en hem ongehinderd zijn vakbondswerk te laten doen.

Mogelijk heeft de eerste oproep (in maart 1995) ertoe bijgedragen, dat een vonnis tegen Pakpahan van het gerechtshof in Medan eind 1995 ongedaan werd gemaakt door het Hooggerechtshof in Jakarta. Pakpahan, veroordeeld vanwege zijn vermeende verantwoordelijkheid voor gewelddadige onlusten in Medan in mei 1994, was eerder in 1995 al in vrijheid gesteld nadat hij een maand of negen had uitgezeten van de vier jaar die hem was opgelegd.

Eind 1996 kwam het Hooggerechtshof echter terug op zijn besluit het Medan-vonnis te vernietigen. Het deed dat op verzoek van het openbaar ministerie en zonder dat een nieuw onderzoek naar de feiten had plaatsgehad. Dat was nieuw in Indonesië en er is een storm van kritiek op gevolgd. Een groot aantal rechtsgeleerden van naam, onder wie de voormalige minister van Buitenlandse Zaken Kusumaatmadja, liet weten zich ernstig zorgen te maken over de gevolgen van de handelwijze van het Hooggerechtshof voor de rechtsstaat.

Pakpahan zat ondertussen alweer gevangen, na begin augustus gearresteerd te zijn voor zijn vermeend aandeel in het aanstichten van de onlusten in Jakarta op 27 juli. Veel heeft de kritiek op het Hooggerechtshof hem niet geholpen. Ongeacht de uitslag van het 'subversieproces', waarin hij nu een van de hoofdpersonen is, moet hij nog ruim drie jaar gevangenisstraf uitzitten.

Naar aanleiding van de revisie van het Medan-vonnis door het Hooggerechtshof is door de vakbeweging een nieuwe klacht bij de ILO geformuleerd, die mogelijk in maart in Genève wordt behandeld. Het gaat daarbij om weinig meer dan de bekrachtiging van de eerdere uitspraak van de ILO inzake de Medan-kwestie. Daarin werd gesteld dat Indonesië Pakpahans activiteiten onjuist voorstelt, dat hij vervolgd wordt vanwege zijn vakbondswerk, en dat hij onverwijld in vrijheid gesteld moet worden.

Als die nieuwe ILO-veroordeling er inderdaad komt, is de Indonesische regering in drie jaar tijd drie keer ernstig berispt door de ILO en opgeroepen om haar beleid in overeenstemming te brengen met de internationale verdragen over de fundamentele vakbondsvrijheden waaraan zij is gebonden.

De ILO heeft geen middelen om de uitvoering van dit soort aanbevelingen door lidstaten af te dwingen. De Indonesische regering kan zulke uitspraken tot in lengte van dagen naast zich neerleggen, zeggend dat zij het bij het rechte eind heeft en de ILO het bij het verkeerde. Maar dat zal haar geen goed doen, en de ILO evenmin.

Andere lidstaten van de ILO zouden het zich moeten aantrekken dat de Indonesische regering maling heeft aan ILO-oproepen. Er bestaat een interessant, maar weinig gebruikt middel om Indonesië bij de les te houden. Want elke regering die zich door de ILO miskend en ten onrechte gekritiseerd acht, heeft volgens de statuten van de ILO het recht omstreden uitspraken voor te leggen aan het Internationale Hof van Justitie.

Bij een volgende 'veroordeling' van Indonesië door de ILO zou dit middel dan ook moeten worden aangegrepen. Daartoe zou op de Indonesische een uitdrukkelijk beroep moeten worden gedaan het ILO-oordeel aan het Hof van Justitie voor te leggen. De vakbeweging zal dat niet nalaten. Maar steun van regeringen (bijvoorbeeld van de lidstaten van de Europese Unie) zou uiterst belangrijk en welkom zijn. Dat is eén.

Vers twee gaat over de Commissie voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties. De revisie van het Medan-vonnis door het Hooggerechtshof rammelt juridisch en vraagt er om te worden voorgelegd aan de Speciale VN-rapporteur voor de onafhankelijkheid van rechters en advocaten. Deze is inmiddels door de vakbeweging benaderd en ook dit initiatief behoeft actieve betrokkenheid van de Nederlandse regering.

De afgelopen maanden is meer dan eens twijfel geuit over het persoonlijk engagement van minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken als het ging over de plaats van de mensenrechten in het buitenlands beleid van Nederland. Wat Indonesië betreft, heeft hij er steeds de voorkeur gegeven aan optreden in het verband van de Europese Unie. Dat is hem enkele malen komen te staan op het verwijt dat hij zich verstopte achter de ruggen van anderen. Nu staan anderen achter de rug van de voorzitter van de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken. De vakbeweging roept hem op de druk op Indonesië op te voeren, via de ILO en via de Mensenrechtencommissie.

Beide initiatieven sluiten goed aan bij de meermalen door Van Mierlo uitgesproken behoefte om als pleitbezorger van mensenrechten zijn rol waardig en stijlvol te spelen. In geen van beide instellingen wordt van hem verwacht dat hij schuimbekkend op een zeepkist klimt om aandacht te krijgen voor wat hij te zeggen heeft.