School weet niet meer wat te leren

Moeten twaalfjarigen kennis hebben of vaardigheden? Moet dat worden getoetst of niet? Moet er een staatscurriculum zijn of moet de individuele school uitmaken wat voor lessen ze geeft? Onderwijskundigen en politici komen er niet uit.

ROTTERDAM, 1 FEBR. Twaalfjarigen moeten kennis hebben van historische feiten en riviernamen, vindt de Neerlandicus. Van rekenen, vindt de hoofdredacteur van een populair wetenschappelijk tijdschrift. Van de verkeerspraktijk, zegt Velig Verkeer Nederland. Ze moeten onderwerp, lijdend voorwerp en gezegde kunnen herkennen in een zin, vindt de leraar 2-Mavo. Welnee, zegt het uitzendbureau, aan het einde van de basisschool moeten ze een standpunt durven innemen en dat verdedigen. Ze moeten zich verantwoordelijk voelen voor de samenleving, stelt de hoogleraar ouder-kindzorg. Informatie kunnen vinden, niet in het hoofd stampen, meent de historicus.

De Tweede Kamer is er na tien jaar discussie niet uit: wat moeten twaalfjarigen kennen en kunnen aan het einde van de basisschool. Deze week bleek dat de nieuwe 'kerndoelen' voor het basisonderwijs omstreden zijn. 92 kerndoelen schrijven van staatswege voor wat twaalfjarigen (groep 8) moeten leren en kunnen. Dat zijn er te veel, kritiseren Onderwijsraad, toetsontwikkelaar CITO en Tweede Kamer, en ze zijn te vaag. Slechts één is onomstreden: 'leerlingen kunnen in een zin onderwerp, lijdend voorwerp en gezegde herkennen'. Dat is helder, concreet, belangrijk en te toetsen, vinden alle betrokkenen.

Tegenwoordig besteden basisscholen dertien uur per week aan de vakken taal, rekenen en geschiedenis. Vakken die makkelijk zijn te toetsen. Begin jaren zeventig was dat nog 24 uur. Er zijn sindsdien allerlei vakken bijgekomen zoals muziek, gymnastiek, sociale vaardigheden, 'wereldoriëntatie', godsdienstonderwijs en kunstzinnige vorming. Die nemen de overige twaalf uur per week in beslag en zijn veel minder makkelijk te toetsen.

Er zijn te veel vakken, vinden Onderwijsraad, CITO en onderwijsspecialisten in de Kamer. En dat komt omdat niemand kiest. Oorzaak voor de angst te kiezen ligt voor de hand, analyseert de Groningse onderwijskundige dr. Wijnand Hoeben. Al zeventig jaar zwaaien de confessionelen in de Tweede Kamer bij elke discussie over de kwaliteit van het basisonderwijs met artikel 23 van de grondwet. Dat schrijft voor dat niet de staat maar de scholen het onderwijs inrichten. Deze praktijk leidt tot “gecultiveerde vaagheid” bij het ministerie van onderwijs, zo signaleerde de psycholoog A.D. de Groot, de grondlegger van het CITO, decennia geleden al. Het gebrek aan keuze bemoeilijkt volgens hem de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs.

Is er dan een kennis-crisis in Nederland? Onlangs bleek het gemiddelde Kamerlid geen hoger cijfer te halen dan een 4+, toen hij vijftien feitelijke vragen over de vaderlandse geschiedenis beantwoordde. In de commentaren achteraf viel op dat de Kamerleden vooral hamerden op wat ze niet hoefden te weten, zonder erbij te vertellen waar het dan wel om gaat. “Ze kunnen het zich nu bijna niet permitteren expliciet te kiezen voor ouderwetse kennisvakken, na die povere resultaten”, zegt de Amsterdamse hoogleraar Historische Letterkunde dr. Herman Pleij. Volgens hem moeten basisscholen verplicht worden zich te concentreren op “belangrijke” kennisvakken als taal, rekenen en geschiedenis. “Al die sociaal vaardige jongeren die van de basisschool komen, zijn mooi, maar ze hebben geen bagage. Kinderen moeten weten waar rivieren en Afrikaanse steden liggen. Feiten die zijn weggezakt in de donkerste groeven van je hersenmassa, lichten weer op als je op middelbare leeftijd iets leest op hetzelfde terrein.” Of zoals Mavo-leraar Kees Groenveld ervaart: de tweede klassers (veertien jaar) kunnen tegenwoordig niet meer onderwerp, lijdend voorwerp of gezegde herkennen in een zin. “Op zichzelf is het niet erg dat ze die technische aanduidingen niet weten. Maar het betekent dat ze een zin niet begrijpen. Dat ze de voldoening van herkenning niet kennen. En dat ze waarschijnlijk het belangrijkste missen: plezier in lezen”, aldus Groenveld. “Met alle respect - muziek is bijzaak”, meent ook Hans Waleveld, hoofdredacteur van het populair wetenschappelijke jongerentijdschrift De Kijk. “Een kind met aanleg daarvoor moet aanvullend onderwijs krijgen.”

De Leidse emeritus hoogleraar geschiedenis dr. P. Klein is het met de pleidooien voor 'klassieke' vakken niet eens. “Sinds 1970 vraagt de Nederlandse samenleving geen kennis van Willem van Oranje maar praktische vaardigheden en inzichten. Dat het moeilijk is kerndoelen daarvoor op te stellen, is niet gek - toen het algemeen openbaar onderwijs 150 jaar geleden begon, hadden leraren ook bar weinig kennis. Ik vraag me af hoe iedereen erbij komt dat onze generatie opeens zo snel een geschikt lesprogramma zou kunnen vinden.” Het gebrek aan historische kennis van Kamerleden, zegt Klein, is minder erg dan hun pogingen dat te bagatelliseren. “Die getuigen van gebrek aan intellectueel niveau en soepelheid van geest.”

Na zes jaar discussie bereikte de Kamer in 1993 consensus over de inhoud van de eerste kerndoelen voor het basisonderwijs. Maar de schoolpraktijk lustte ze niet - overvoerd legden onderwijzers ze meteen in de kast, zo concludeerde binnen een jaar de Commissie Heroverweging Kerndoelen Basisonderwijs. De Kamer had geen keuzes gemaakt.

Een nieuwe poging ondernam staatssecretaris Netelenbos in 1995 - ze gaf de SLO opdracht binnen negen maanden nieuwe kerndoelen te formuleren: minder dit keer èn duidelijker gesteld.

Ook nu, zeggen de critici, zijn de kerndoelen niet te toetsen. Het Tweede-Kamerlid Rijpstra (VVD): “Je moet eisen dat twaalfjarigen hun EHBO-diploma behalen, en niet: leerlingen kunnen aangeven hoe zij omgaan met ziektesituaties en de gevolgen van ongelukjes.” Veilig Verkeer Nederland wil dat meer basisscholen een praktisch verkeersexamen afnemen. Nu doet 30 procent dat, terwijl 90 procent aan het theoretische verkeersexamen deelneemt. “Als je wilt toetsen of een kind zich in de verkeerspraktijk gedraagt, dan moet je het gadeslaan”, aldus de woordvoerder. De vraag is vaak hoe te toetsen. “Ik denk dat je argumentatie al kunt toetsen op twaalfjarige leeftijd, maar ik zou niet precies weten hoe”, zegt Hanny Oude Maatman die bemiddelt bij Randstad Uitzendbureau tussen bedrijven en uitzendkrachten. Ze zou willen zien dat beginnende collega's zelf initiatief durven nemen en een standpunt innemen. Ook als dat afwijkt van het gangbare. “Dat maakt niet uit, als ze het maar onderbouwen. En daar kun je niet jong genoeg mee beginnen.”

Toch kent de onderwijswereld tegenstanders van het criterium toetsbaarheid voor leerdoelen. De Utrechtse hoogleraar ouder-kindzorg M. de Winter vindt dat “de toetsers” te machtig zijn geworden. “Het vermogen om verantwoordelijkheid te dragen voor de samenleving, dat is zo moeilijk toetsbaar.”

Leraar Groenveld: “Als je alles toetst, krijg je robots die voldoen aan een toetsingssysteem. Kinderen moeten ook genieten van leren, van lezen en muziek. Maar om te genieten, moet je wel kennis hebben. Onregelmatige werkwoorden en tafels moet een kind gewoon uit het hoofd leren, punt uit.”

Hoe dan ook, het effect van zelfs het best geformuleerde kerndoel is afhankelijk van de kwaliteiten van de individuele leerkracht, zegt de Amsterdamse hoogleraar onderwijskunde W. Meijnen. “Díe moet zorgen dat een kind leert wat het leren moet. Zelfs als hij te maken heeft met uitermate vage kerndoelen. Díe moet vakbekwaam zijn en de leerlingen enthousiast maken.”