Permanente strijd tegen de misère

Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte. Verschijnt vier keer per jaar. Jaargang 89, nr.1, januari 1997. Speciaal nummer: Nederlandse filosofen over de techniek. Uitgever: Van Gorcum, Assen. Los verkrijgbaar à ƒ 15,- bij het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs, tel. 070-3919900.

IEDERE CULTUUR heeft de technologie die zij verdient. Volgens de techniekfilosoof en chemicus C.J. Dippel (1902-1971) is de techniek de spiegel van onze cultuur. Techniek is antwoord op een vraag uit de samenleving, die het karakter kan hebben van een behoefte, een noodzaak, latent of openbaar, essentieel of toevallig. Het kan dan om een echte nood of vraag gaan: meer en beter voedsel voor hongerige mensen, minder geestdodende arbeid. Maar ook een gril of lust is mogelijk: ieder jaar een nieuw automodel, duizenden tonnen springstof per aardbewoner. De techniek zal het leveren, op bestelling. Aan onze technische apparaten kun je aflezen wat we als onze werkelijke behoeften zien - nog nooit heeft de mens zo'n goede spiegel gehad. En als het beeld je niet bevalt is het uiterst dom je toorn op de spiegel te richten.

Dippel is een van de drie Nederlandse techniekfilosofen van vóór 1975 die centraal staan in een speciaal nummer van het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte. Het is een uitvloeisel van de leergang 'Filosofen over de Techniek' die de (nog jonge) afdeling 'Filosofie en Techniek' van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs in 1996 organiseerde. Behalve Dippel kwamen daarin ook de reformatorische wijsgeer H. van Riessen en de dialecticus J.H.A. Hollak aan bod. Om het beeld enigszins te complementeren is van de techniekfilosofen F. Tellegen, A.G.M. van Melsen en Kwee Swan Liat een korte notitie opgenomen.

Cor Dippel, zo schrijft de ethicus dr. P. van Dijk in zijn portret, was een dwarse chemicus met een gespierde stijl van schrijven en spreken die bij het Natuurkundig Laboratorium van Philips aan fotografische films werkte. Hij was actief in de Vereniging van Rechtzinnig hervormden en zat in de redactie van Wending, maandblad voor evangelie en cultuur. Voor dat tijdschrift schreef hij vele indringende artikelen over atoombewapening, de energievoorziening, de spilzucht van de consumptiemaatschappij en over natuurwetenschap en techniek als het belangrijkste politieke vraagstuk - onderwerpen waarmee hij zijn tijd ver vooruit was. Honend wees Dippel naar de alfa's uit de 'hogere' kringen die neerkeken op iedereen die nooit iets van Shakespeare had gelezen, maar zich er tegelijk op voor lieten staan niets te begrijpen van wat zich allemaal onder de motorkap van hun auto afspeelde.

Techniek, zo meende Dippel, is “een permanente strijd tegen de materiële misère van de mens te midden van een onbarmhartig gesloten natuur”. De natuur geeft niets voor niets, we moeten het haar ontworstelen. Daarom moeten we maar niet te romantisch over de natuur doen, stadsmensen vergeten nogal eens dat ze door de techniek is getemd. “Wie ongewapend het oerbos inloopt, komt niet terug met een bundel gedichten ('hoe mooi het daar was'), maar komt waarschijnlijk helemaal niet terug.” Waar de cultuurmens droomt en romantiseert, ziet de technicus de natuur als weerstand, als zijn vijand die hij moet liefhebben, wie hij de kunst moet afkijken. Gooit hij het bijltje erbij neer, dan betekent dat op korte termijn de dood van miljoenen verwende westerse mensen.

Techniek schept tijd en rust, maatschappelijk een zegenrijke ontwikkeling. Dat alles binnen materiële grenzen: over 'onbegrensde mogelijkheden' spreken alleen filosofen - technologen weten wel beter. Maar terwijl de techniek allang op wereldschaal wordt toegepast, denken we nog dorps, nationalistisch en bekrompen. En als onze ethiek achterblijft bij onze technische prestaties, verkeert een zegen in een vloek. De vraag waar Dippel ons voor stelt is of we de moed zullen vinden de techniek ondergeschikt te maken aan de ethiek. Niet zeggen 'wat kan, dat mag', om de ergste uitwassen te stoppen als het te laat is, maar uitgaan van wat nodig is. Geen moraal achteraf, maar een ethiek vooraf.

Waar tegenwoordig het anti-wetenschappelijke sentiment van de New Age hoogtij viert, was het in de tijd van Dippel juist de verafgoding die hem zorgen baarde. Hij noemt het onbegrensde geloof in de exacte wetenschap een “geloof zonder geloofskennis”.

Dat wetenschap en techniek samengesmolten zijn, is niet in de laatste plaats te danken aan de grote ondernemingen die aan het begin van deze eeuw eigen researchlaboratoria in het leven riepen. Het bracht een technisch-wetenschappelijke revolutie op gang die overal in de maatschappij ingreep, met als uitkomst dat de exacte wetenschap niet langer een zelfstandige cultuurkracht is (de beroemde en verguisde vrijheid van wetenschap) maar door staat, politiek, ondernemer, commercie en de publieke lust in regie is genomen. Ontdekkingen en uitvindingen komen uiteindelijk in handen van de de machten en vanzelfsprekendheden in de samenleving, die ze kan benutten of misbruiken. Fremdbestimmung en Überfremdung zijn de wetenschap binnengedrongen, volgens Dippel een historisch proces waarin zij haar bestemming vindt.

Dippel publiceerde vooral na de oorlog. Dat er ook in het Interbellum aandacht was voor de filosofie van de techniek bewijst het overzicht dat Hans Haaksma samenstelde. De variatie is enorm, ook al omdat er weinig overeenstemming bestaat over wat 'techniek' precies betekent. Het begrip verwijst dan weer naar een product, dan weer naar een vorm van kennis, een menselijke handeling of een sociaal proces. Wil er een goed gedefinieerde discipline 'filosofie van de techniek' kunnen ontstaan, dan is het van belang haar geschiedenis te schrijven - waartoe deze special een belangrijke aanzet geeft.