Overijsselse dorpen

Naar aanleiding van het artikel 'Overijsselse dorpen in verzet tegen inlijving' (25 januari) rezen bij mij enige vragen. Niet alleen in Bathmen en Diepenveen, maar ook in vele andere kleinere gemeenten voelen de bewoners zich bedreigd in hun onafhankelijkheid door naburige grotere gemeenten met inlijvingsplannen.

Nu zal daar in veel gevallen best iets voor te zeggen zijn: steden dijen uit en hebben ruimte nodig voor woningbouw en industrie en er zullen wel meer argumenten zijn aan te voeren.

Wat mij echter ten enenmale ontgaat is dit: hoe is het mogelijk dat dergelijke inlijvingen ondanks het verzet van vrijwel de gehele betreffende bevolkingen toch doorgaan? In het onderhavige geval van beide gemeenten werd grond aangeboden om de stad - in dit geval Deventer - ruimte te geven voor uitbreiding. Waarom is het dan met alle geweld nodig om goed functionerende gemeenschappen, waar de mensen zeer betrokken zijn, op te offeren aan de stad, waar de lijnen langer zijn tussen bestuur en burger en de betrokkenheid veel geringer? Terwijl er tegenwoordig vaak wordt gewezen op de noodzaak om de politiek dichter bij de mensen te brengen, wordt hier de afstand tot de burger juist vergroot. Laatstgenoemde krijgt immers meer en meer het gevoel, dat de dingen over hem komen als een soort natuurgebeuren in plaats van dat hij/zij er zelf nog een rol in speelt. Als ik dan lees dat de burgemeester van Diepenveen te horen krijgt: “U hebt gelijk, maar u krijgt het niet”, dan worden mijn vragen als gewone burger nog groter en moet ik bijna denken aan Roemenië, waar in de tijd van Ceaucescu de dorpen werden afgebroken en aan Belgrado, waar de protesten worden genegeerd.