'Onderzoek naar borstkanker weinig effectief'

ROTTERDAM, 1 FEBR. Het bevolkingsonderzoek naar borstkanker kan misschien beter worden afgeschaft, want de kosten-bateneffectiviteit is zeer bescheiden. Deze stelling verdedigt de epidemioloog dr. J.W.W. Coebergh, die verbonden is aan het Integraal Kankercentrum Zuid in Eindhoven en aan de vakgroep epidemiologie en biostatistiek van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam.

De onder oncologen en epidemiologen woedende discussie over het nut van borstkankerscreening is door de redactie van het European Journal of Cancer behandeld in de rubriek current controversies in cancer. Coeberghs tegenstander is dr. H.J. de Koning, werkzaam bij het Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg en betrokken bij de landelijke evaluatie van het Nederlandse bevolkingsonderzoek naar borstkanker. Nederland is een land waar borstkanker vergeleken met andere landen veel voorkomt. In 1993 stierven ruim 3.500 vrouwen aan de ziekte. Nederland is een van de weinige landen waar een nationaal bevolkingsonderzoek naar borstkanker is opgezet.

De Koning stelt dat als het screeningsprogramma een aantal jaren loopt het ongeveer 700 vrouwen per jaar het leven zal redden, een reductie van ongeveer 20 procent van de sterfte aan borstkanker. “De vraag is dus niet óf screening effectief is, maar hóe effectief het is”, schrijft De Koning. Hij concludeert uiteindelijk dat de kosten opwegen tegen de baten omdat ieder gewonnen levensjaar ongeveer 7.000 dollar kost. Wat in de Nederlandse gezondheidszorg relatief een normaal bedrag is.

Voor Coebergh valt de kosten-effectiviteitsdiscussie negatief uit. “Of dan ook het screeningsprogramma moet verdwijnen is een politieke vraag en ik ben geen politicus.” Coebergh wijst er op dat sinds 1970 de buiten de screening om gevonden borsttumoren al veel kleiner zijn geworden, doordat vrouwen vaker zelf hun borsten onderzoeken. Hoe kleiner een borsttumor is, hoe kleiner is de kans op uitzaaiingen en hoe groter de kans op overleving. De effectiviteit van de screening wordt daardoor ondermijnd. Coebergh wijst ook op psychosociale gevolgen. Om één leven te redden worden bij 1.000 gezonde vrouwen een mammogram gemaakt, worden tien vrouwen opgeroepen voor nadere diagnostiek, wordt één vrouw achteraf gezien onnodig geopereerd en zijn drie vrouwen langer patiënte. Bij hen wordt door de screening de tumor eerder gevonden, maar zij sterven toch aan de ziekte. Coebergh wijst er ook op dat het binnen de schaarser wordende capaciteit van de gezondheidszorg de vraag is of er zo'n duur screeningsprogramma moet bestaan voor vrouwen met een gemiddeld toch al zeer hoge levensverwachting.