Marshall-plan echt op z'n Hollands herdacht

DEN HAAG, 1 FEBR. Zou dat wel goed gaan? Zouden die twee gewichtige Amerikanen in de woning van de spreekwoordelijk sobere Nederlandse premier wel de juiste indruk krijgen? Twee uur lang vroeg de jonge gelegenheidschauffeur Ernst van der Beugel zich dat bezorgd af op de stille, zondagse Beeklaan in Den Haag.

Er stond heel veel op het spel, die dag, nu zo'n 49 jaar geleden. Het economisch herstel van Nederland namelijk, dat geruïneerd uit de Tweede Wereldoorlog was gekomen en bovendien zuchtte onder de 'Indië-crisis'. Binnen, in de privé-woning van minister-president Drees, kon immers wel eens worden beslist of en, zo ja hoeveel Nederland voor zijn wederopbouw aan Marshall-hulp in de wacht zou kunnen slepen.

De Amerikaanse onderhandelaars, onder wie de speciale vertegenwoordiger Averell Harriman, waren tijdens hun Europese rondreis in Rome zó gefêteerd, dat zij met een dag vertraging - en dus op zondag - naar Nederland waren gekomen. Dus had Van der Beugel, toen assistent van regeringscommissaris Hirschfeld, de opdracht gekregen hen met de auto van Schiphol te halen en naar de Beeklaan te brengen.

Visioenen van de geschatte ontvangst binnen - mevrouw Drees voor de potkachel met een dienblad thee en Maria-kaakjes tussen de statige trijpen stoelen bijvoorbeeld - en de mogelijke gevolgen daarvan hielden hem bezig. Hoe zou zo'n Harriman, zelf een zeer gefortuneerd man dankzij familiebelangen in Amerikaanse spoorwegen, wel reageren op zo'n onversneden Hollandse idylle?

“Wij hadden ons geweldig vergist, onze bezorgdheid bleek misplaatst”, zegt Van der Beugel daarover een halve eeuw later. “Ik zat in zo'n ouderwetse dienstauto, met een wand tussen de voor- en achterbank. Maar het luikje stond open en het eerste wat ik Harriman na het instappen hoorde zeggen was: “Aan een land waarvan de minister-president zó woont en leeft is ons geld buitengewoon goed besteed!”

Zo begon, voor Nederland, de aanloop naar het Marshall-plan dat op 5 juni 1947 door de toenmalige Amerikaanse minister van buitenlandse zaken en ex-generaal George C. Marshall (1880-1959) was gelanceerd, een gebeurtenis die 28 mei plechtig zal worden herdacht in de Ridderzaal in aanwezigheid van de Amerikaanse president Clinton. Via dat plan zou tussen 1948 en 1952 een bedrag van 12,8 miljard dollar naar die West-Europese landen vloeien die zich uitdrukkelijk bereid verklaarden tot economische samenwerking. Uit het Marshall-plan ontstond uiteindelijk een organisatie als de OESO. De latere oprichting van de EEG en de NAVO valt evenmin helemaal los te zien van dat Amerikaanse hulpprogramma voor de West-Europese wederopbouw, dat natuurlijk óók te maken had met de zorg in Washington over wat Stalins Sovjet-Unie in Oost-Europa aan het doen was. De Amerikaanse burgers betaalden de Marshall-hulp trouwens met een vier jaar durende belastingopslag van omstreeks 85 gulden per persoon per jaar.

Hoewel de door de Geallieerden bestuurde West-Duitse bezettingszones daarvan maar verhoudingsgewijs weinig kregen (10,8 procent, Groot-Brittannië 24 procent) hielp de Marshall-hulp mede de basis te leggen voor het Wirtschaftswunder dat de even later gevormde Bondsrepubliek zou gaan beleven. Nederland haalde 7,7 procent binnen (1.127 miljoen dollar, 109 dollar per hoofd, huidige tegenwaarde 21,7 miljard gulden), en stak dat geld grotendeels in zijn infrastructuur. Maar ook de KLM, die destijds 20 procent van haar nieuwe luchtvloot met Marshall-dollars kon financieren, DAF (militaire vrachtwagens), Hoogovens, NKF, DSM en Akzo-voorloper AKU hadden hun grote naoorlogse sprong moeilijk zonder deze Amerikaanse hulp kunnen maken.

Zo gezien is de opzet die Nederland als voorzitter in de Europese Unie de komende maanden wil geven aan de viering van de vijftigste verjaardag van de lancering van de Marshall-hulp verhoudingsgewijs bescheiden te noemen. Er zijn, zo is deze week op een persconferentie meegedeeld, een reeks culturele manifestaties in de drie grote steden voorzien. Er zal volgende week een onderwijsmanifestatie (“Marshall Plan in hedendaags perspectief”) worden gehouden in Utrecht, op 1 mei (Rotterdam) en op 15 en 16 mei (Den Haag) zijn er de welhaast onvermijdelijke symposia. Er zullen boeken worden uitgegeven en er komen, 27 mei, liefst twee speciale Marshall-postzegels. En zo nog meer. Totale kosten: 5 miljoen, waarvan de overheid er drie en het bedrijfsleven er twee moet dekken.

Kortom: een kleine halve eeuw na dat bezoek van die twee Amerikanen aan de Haagse Beeklaan is er niet in élk opzicht zoveel veranderd in Nederland.