Japanse oorlogskinderen komen naar huis

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog ontstond er chaos in het door Japan bezette Mantsjoerije, in Noord-China. Vluchtende Japanners - verslagen soldaten én ontredderde burgers - zochten een goed heenkomen. Niet allen slaagden er in het vaderland te bereiken. De achterblijvers, vaak kinderen, werden aan hun lot overgelaten. Overleven in China en nu terug in Japan.

TOKIO, 1 FEBR. “Chinezen zijn veel warmer in de omgang. Japanners zijn rijk en dan gaat de menselijke warmte verloren”, zegt Hatsue Suda. Als veertienjarige liep de Japanse Suda op een dag in augustus 1945 met haar driejarige zusje op de rug gebonden door Mantsjoerije, waar de oorlog ook na de Japanse overgave bleef doorwoeden. Ze was op weg naar Japan, maar haar ouders en broertje was ze inmiddels kwijt. De reis zou tot 1994 duren en China is nu haar “tweede vaderland”.

Veel Japanse kinderen als Suda zijn aan het einde van de oorlog in China achtergebleven en hun verhaal is nog steeds niet ten einde. In alle Japanse kranten verscheen begin november een pagina vol met persoonsgegevens als deze: “Guan Xiuxian, vrouw, destijds 1 maand oud. Vader was politieagent. Ouders lieten Xiuxian in augustus of september 1945 achter bij de familie Guan in Shuang-Song, provincie Bin-Jiang, China. Vader liet een zilveren ketting met de afbeelding van een kikker achter bij de pleegmoeder.”

Guan, zelfs haar eigenlijke Japanse naam is onbekend, was een van de leden van een groep van 43 Japanse Chinezen die in november Japan bezochten. Nog elk jaar komt dankzij een gezamenlijk programma van de Chinese en Japanse overheid een groep over uit China op zoek naar hun familie. De kans om familieleden te vinden, wordt echter steeds kleiner. Dit keer wisten slechts drie van hen met familieleden in contact te komen.

“Voorzover deze kinderen het overleefd hebben, hadden ze eigenlijk geluk dat ze nog zo klein waren”, zegt Suda. “Er werd voor hen gezorgd en ze wisten vaak tot op latere leeftijd niet dat ze Japans waren.” Met vijf lotgenoten zit ze rond een tafel in het kantoor van de Vriendschapsvereniging van Chinese Repatrianten in een oude wijk in Tokio. “Wij zijn allemaal zonder ooit verliefdheid te hebben gekend als kind getrouwd met een man waar we aanvankelijk niet om gaven. Het was de enige manier om in China te overleven”, aldus Ine Uto. “Maar mijn plicht heb ik gedaan”, vult de 69-jarige Tatsuko Iijiro lachend aan: “Zeven kinderen heeft hij van me gekregen.” Voor ze bij haar man terechtkwam had Iijiro moeten toezien hoe een Chinese plunderaar haar moeder vermoordde door met een zeis haar buik open te rijten.

Vooral in Mantsjoerije, in Noordoost-China, woonden destijds veel Japanse burgers die daar naar toe waren gegaan in het kader van overheidsprogramma's om het gebied tot ontwikkeling te brengen. Aan het einde van de oorlog heerste er absolute chaos. Vier verschillende legers trokken er rond: vluchtende Japanners, binnentrekkende Russische troepen (die 1,3 miljoen Japanners hebben afgevoerd naar Siberië, van wie een kwart nimmer is teruggekeerd), Chinees-communistische troepen en rondplunderende legertjes van Chinese warlords die al dan niet verbonden waren met de Nationalisten.

“Het Japanse leger gedroeg zich verschrikkelijk”, zegt Tomoko Kamizawa. “Ze waren op de vlucht voor de Russen en vernielden alle bruggen achter zich. Ze dachten er niet aan dat wij, Japanse burgers, achter hen aan kwamen. We moesten door de rivieren waden en konden alleen onder dekking van de nacht lopen. Op 27 augustus, we wisten niet eens dat de oorlog al bijna twee weken afgelopen was, rustten we uit in een dorpje toen de Russen ons inhaalden. We waren nog met zo'n drieduizend mannen, vrouwen en kinderen. Met machinegeweren maaiden de Russen in het wilde weg iedereen neer.”

Kamizawa had geluk. Ze was alleen in haar arm geraakt. Haar familie lag vermoord om haar heen en, net als Suda met haar driejarige zusje, stond zij met haar schotwonden als hulpeloze veertienjarige in de wildernis van Mantsjoerije. Op zoek naar hulp en eten in een dorpje bleek de beste optie het aanbod aan te nemen van een Chinees om te trouwen. “Chinezen betalen voor een bruid”, zegt Ine Uto. “Dus hebben wij ook gemeenschappelijk dat onze mannen armoedzaaiers waren. Ze hadden geen geld om een Chinese bruid te nemen en waren niet kieskeurig. Ze namen genoegen met een Japanse. Daarmee hadden we nog geluk. Andere meisjes als wij zijn mishandeld, verkracht en vermoord.” Dankzij haar huwelijk kon Suda haar driejarige zusje te eten geven en naar school laten gaan. “Mijn zusje heeft later uit liefde kunnen trouwen.”

Aanvankelijk viel het leven als Japanse, de voormalige bezetter, mee in China. “In ons dorp bivakkeerde een tijdje communistische troepen van het 86ste leger die achter de Nationalisten aan zaten”, zegt Tatsuko Iijiro, die destijds achttien jaar oud was. “Ze reageerden met een schouderophalen toen ze hoorden dat ik Japanse was. Ze speelden met de kinderen, hielpen de boeren met het werk op het land en haalden zelf hun water uit de put, wat normaal het werk van vrouwen was. Iedereen was bedroefd toen ze weer vertrokken.”

Maar na het einde van de Chinese burgeroorlog moest Japan in navolging van de Amerikanen betrekkingen met Nationalistisch China, Taiwan, aanknopen. De Koude Oorlog begon en elke kans op repatriëring vanuit communistisch China naar Japan was verkeken. De situatie verslechterde verder gedurende de Culturele Revolutie waarin Japanners automatisch verdacht waren. “Omdat hij met een Japanse was getrouwd, is mijn man enkele maanden door de politie vastgezet en mishandeld”, zegt een van hen. “Onze kinderen werden getreiterd en op school achtergesteld.”

Het huidige programma voor repatriëring van achtergebleven Japanse kinderen kwam pas tot stand na normalisering van de betrekkingen in 1972. Van de Chinese politie kreeg Hatsue Suda toen zelfs een tip dat in een ander dorp een man met dezelfde Japanse achternaam woonde: het bleek haar broertje te zijn die in 1945 als tienjarige alleen over de slagvelden heeft gezworven en elders onderdak vond. Haar ouders heeft ze nooit meer terug gezien maar onwillekeurig begint Suda uit te rekenen hoe oud haar moeder nu zou moeten zijn: Vijfentachtig. “Zet het toch uit je hoofd, ze leeft niet meer”, zegt Kamizawa troostend tegen Suda.

Via het officiële programma zijn in twintig jaar zo'n 17.000 mensen teruggekeerd naar Japan, aldus het Japanse ministerie van Gezondheid waar een speciale afdeling permanent met het probleem is belast. Een iets kleiner aantal heeft Japan alleen bezocht en China als woonplaats gekozen. Daarnaast heeft een onbekend aantal op eigen kracht familie gelokaliseerd en is al dan niet teruggekeerd.

De zes vrouwen, sommige met hun kinderen, zijn teruggekeerd nadat ze hun man hadden overleefd. Ook al is Japan het land waar “alleen de bergen nog hetzelfde zijn als vroeger, als voor de oorlog”. China blijft daarnaast het tweede vaderland. Een aantal van hen is met koffers vol cadeautjes weer een keer teruggekeerd naar vrienden in China. “Het was hard, maar juist dan delen mensen het weinige dat ze hebben”, zegt Uto, “Al is het maar wat eten.”

“Alles wat je op het nieuws hoort over problemen tussen Japan en China, is alleen maar politiek”, zegt de 65-jarige Suda. “De protesten in China tegen het 'herrijzende Japanse militarisme' zoals naar aanleiding van het probleem tussen Japan en China over die eilandjes, dat is allemaal politiek. Dat heeft niets met gewone mensen te maken. Oudere Chinezen willen Japan het oorlogsverleden nog wel eens kwalijk nemen, maar jongeren zijn juist gefascineerd door Japan.”

    • Hans van der Lugt