'In New York kun je niet denken, niet dromen'; Schrijver Jay McInerney is vertrokken uit de stad

In Groningen vindt dit weekend het literaire festival Winterschrift plaats. Een van de gasten is de Amerikaanse schrijver Jay McInerney, van wie de roman 'De laatste der Savages' onlangs in vertaling verscheen.

De boeken van Jay McInerney verschijnen bij uitg. Meulenhoff. Op 1/2 treedt hij op in de Schouwburg van Groningen, om 20.30u. Res.: 050-3125645. Op 2/2 geeft hij een lezing voor de SLAA, De Balie, Amsterdam. Aanvang 20.30u. Res.: 020-5535000.

GRONINGEN, 1 FEBR. Op een ochtend in 1982 schreef Jay McInerney (Connecticut, 1956) een regel in de jij-vorm in zijn aantekenboekje: “You are not the kind of guy to find yourself in a place like this.” Het werd - met een lichte verandering - de befaamde openingszin van zijn debuut Bright Lights, Big City, dat een scherp en ook ontroerend beeld schetst van het New-Yorkse nachtleven.

Vanwege het literaire festival Winterschrift dat dit weekend in Groningen plaatsvindt en omdat zojuist zijn nieuwe roman The Last of the Savages (De laatste der Savages) in Nederlandse vertaling is verschenen, brengt de auteur een bezoek aan ons land. In de 'hoofdstad van de wereld', New York, woont hij allang niet meer, wel houdt hij er een appartement aan. McInerny heeft zich, met vrouw en kinderen, teruggetrokken in Nashville, Tennessee. Maar de grote stad blijft aan hem trekken.

“New York zit nog steeds in mijn bloed”, zegt hij vroeg in de ochtend in zijn hotel. “Sinds de verschijning van Bright Lights, Big City maakte ik onderdeel uit van het leven daar. Ik kon de stad vooralsnog niet opgeven, hoewel ik me ervan bewust ben hoe gevaarlijk deze stad voor een schrijver is. In een stad kun je niet dagdromen, niet nadenken, telkens werd ik weer uit mijn kamer naar buiten gezogen.

“De tweede persoon enkelvoud waarin ik mijn boek heb geschreven, maakt voor een groot deel de energie ervan uit. Ik heb weleens geprobeerd het in de eerste of derde persoon te plaatsen, maar toen ontbrak er iets. De authenticiteit ging verloren, en voor alles moet een schrijver naar zijn eigen, persoonlijke stem luisteren. Bovendien praat je zo tegen jezelf, als je diep in de nacht, na alle bars en clubs bezocht te hebben, thuiskomt. Dan zeg je tegen jezelf: “Je bent niet het type dat om deze tijd 's morgens in een tent als deze rondhangt.” (Vertaling: Arie Visser)

Voordat McInerney debuteerde, werkte hij als loopjongen bij uitgevershuis Random House. Op een keer liet hij een paar bladzijden lezen aan de uitgever, Epstein. Die zag er iets in, niet vermoedend dat het zo'n succes zou worden. 'Ach, die Jay heeft een vreemd, kort boek geschreven', was de reactie. Het verscheen in een kleine oplage, maar al snel verwierf het een enorme faam. McInerney: “Niet alleen die jij-vorm was uniek, ook het onderwerp. Nooit eerder was er geschreven over bars, nachtclubs en drugs. Ja, in de romans en de poëzie van de beat-generation komt het aan de orde, maar schrijvers als Kerouac en Ginsberg zijn nog niet echt tot de gevestigde literatuur doorgedrongen. Ik wist van tevoren natuurlijk niet dat ik met Bright Lights de stem van een generatie vertegenwoordigde. Ik ben er nog verbaasd over. Schrijven is toch eigenlijk een kinderlijke bezigheid. Want het is ook vreemd om je geest op papier helemaal prijs te geven en vervolgens te denken dat iedereen op jou zit te wachten.”

De naam McInerney (die wordt uitgesproken met de klemtoon op de derde lettergreep) is van Iers-Russische oorsprong. “Voor een schrijver heb ik de beste voorouders die er bestaan”, zegt hij met een glimlach. “Ik ken geen mooiere literatuur dan de Ierse, ook de Russische literatuur mag er zijn... en zowel de Ieren als de Russen hebben een grote traditie in het drinken, in verslaafd zijn.”

Beschreef McInerney in zijn debuutroman de koortsige, jachtige New-Yorkse nachten op zoek naar geld, geluk en genot, in zijn nieuwe roman De laatste der Savages heeft hij die bliksemachtige kortstondigheid ingeruild voor een werk van lange, historische adem, waarin hij grote Amerikaanse thema's als rebellie en aanpassing, het Noorden en het Zuiden, aanroert.

McInerney: “Ik heb drie jaar aan dit boek gewerkt en ik heb veel research moeten doen. Bright Lights en het latere Brightness Falls waren goeddeels autobiografische romans; ze gaan over een wereld die ik goed ken. Maar voor De laatste der Savages moest ik een betrekkelijk onbekende wereld betreden. Ik beschrijf een levenslange vriendschap tussen de rebelse Will Savage en Patrick Keane, een bewonderaar en aanhanger van de gevestigde orde. Ook dat ik nu in het Zuiden woon en dat mijn vrouw afkomstig is uit een oude, zuidelijke familie, heeft een rol gespeeld bij het schrijven van dit boek. Maar voor alles wilde ik analyseren in hoeverre de idealen van de jaren zestig nog hun geldingskracht hebben. Hoewel ik eigenlijk te jong was, ben ik het jaar 1963 later toch als een keerpunt gaan beschouwen. Ik keek op de televisie naar de oorlog in Vietnam, ik zag The Beatles en de Rolling Stones. Ik kan me niet losmaken van de idealen van vrijheid van toen. Ik heb het geluk gehad in een periode geleefd te hebben van grote seksuele en maatschappelijke bevrijding. Dat waren juist de jaren van de vrije liefde - totdat aids zich aandiende. Will Savage uit mijn roman gelooft dat muziek de wereld kan veranderen. Maar hij heeft ook moeten inzien dat we na Woodstock geen idealistische dromen meer kunnen hebben.

“We kunnen ons afvragen wie er toen gewonnen heeft: Jimi Hendrix of Nixon. Het heeft mijn zorg dat de popmuziek nu big business geworden is, want is rock 'n' roll dan nog wel een subversieve kracht te noemen? De bevrijding die van de muziek kan uitgaan staat tegenover het republikeinse verlangen om van Amerika weer een land te maken als in de jaren vijftig, een land van grote auto's, gelukkige gezinnen, en geen gekleurde mensen. De jaren zestig leven nog altijd in mijn geest, daarom ben ik niet altijd even optimistisch over de toekomst van Amerika.”

Toen McInerney eind jaren tachtig vanuit het platteland, waar hij zich afzonderde om te kunnen schrijven, terugging naar New York vond hij daar niets meer terug van de energie van voorheen. “Ik kreeg het idee dat een reusachtige kater de stad in zijn greep hield. Het was als na een feest: overal lege, omgevallen bierflesjes, alles kleverig. De mensen in New York leken me doelloos. Hoewel ik er nog graag kom, kan ik me voorstellen dat mensen de ruwheid van de stad, het onvriendelijke ervan haten. Toch zal ik in mijn nieuwe roman terugkeren naar New York. Die stad heeft me nog steeds in haar macht.”