Het Portugese oorlogsschip en andere zeedieren

Sealife. A complete guide to the marine environment. Geoffrey Waller (ed.). Ger Meesters Boekprodukties, Haarlem, 1996. 504 blz., geïll. Prijs: ƒ 80,-. ISBN 90 74345 12 3

IN 1932 WERD IN DE Straat van Malakka een ongewoon natuurverschijnsel waargenomen. In de drukbevaren zeestraat was een ontelbaar aantal zeeslangen verschenen. Miljoenen en miljoenen exemplaren van de Stokes zeeslang (Astrotia stokesii) krioelden door elkaar in een lange sliert van 3 meter breed en honderd kilometer lang. De Stokes zeeslang wordt 2 meter lang en kan bijzonder dik worden - zo dik als een mannendij.

Er zijn zo'n zestig soorten zeeslangen, waarvan de meeste in kustwateren verblijven. Sommige soorten zijn echter pelagisch, dat wil zeggen dat ze een werkelijk oceanische verspreiding hebben. De pelagische geelbuikzeeslang (Pelamis platurus) is het algemeenste reptiel ter aarde met een verspreidingsgebied van vrijwel de gehele Indische en Stille Oceaan. Hij heeft een peddelvormige staart, is levenbarend en kan vrijwel overal op de oceaan aangetroffen worden, gesteld dat het water er warm en visrijk is. Ze kunnen gewoonlijk een half uur zonder lucht, maar er zijn onderduikingen van twee uur waargenomen. Uit fysiologische metingen is gebleken dat zeeslangen tot 20 procent van hun zuurstof uit het water kunnen opnemen en vrijwel al hun koolzuur aan het water afstaan. Zoutklieren bevinden zich in de mondholte. Met de tong wordt het zout verwijderd. Op het land is de geelbuikzeeslang vrijwel hulpeloos

Zeeslangen bezitten een dodelijk gif dat aanmerkelijk krachtiger is dan dat van de giftigste landslang. Dit hangt waarschijnlijk samen met hun prooidieren zoals zeepalingen en murenen, die meestal sterk verzet bieden en die daarom snel buiten gevecht gesteld moeten worden. Toch vallen er onder mensen zelden doden, omdat de giftand vrij ver achter in bek gelegen is en niet naar buiten klapt, zoals bij veel giftige landslangen. De meeste slachtoffers vallen onder kustvissers die gebeten worden terwijl ze de slangen uit hun fuiken proberen te verwijderen.

Opmerkelijk is dat er in de Atlantische Oceaan geen zeeslangen voorkomen. In het Indische gebied krioelt het er soms van, zoals in Straat van Malakka, waar 28 verschillende soorten naast elkaar leven. Het is nog een raadsel hoe dat kan, want de zeeslangen zijn vrijwel allemaal generalisten, dat wil zeggen leven van een breed scala aan prooien. Zeker is dat de soortvorming bevorderd is doordat in het Indo-Pacifische gebied tijdens de IJstijden leefgebieden onderling werden verbonden en weer werden afgesloten. Tijdens de isolatie ontwikkelden de ondersoorten zich in verschillende richtingen en 'herkenden' elkaar niet meer toen hun leefgebieden zich weer aaneensloten.

FREGATVOGELS

Europeanen komen tegenwoordig zelden meer met zeeslangen of met andere oceanische dieren in aanraking. Maanvissen, haaien, zeeschildpadden, walvissen, Portugese oorlogsschepen, albatrossen, fregatvogels - wie kent nog iemand uit zijn naaste omgeving die deze dieren in het echt gezien heeft?

Dat komt niet doordat het koloniale tijdperk ten einde is - het toerisme heeft meer Europeanen in de tropen gebracht dan het kolonialisme - maar door de ontwikkeling van de luchtvaart. Welke westerling vaart er tegenwoordig nog op zee? De tijd van de passagierschepen is zo'n dertig jaar voorbij. Wie nu naar het Verre Oosten of naar Amerika wil, is aangewezen op het vliegtuig - een tocht per passagierschip is al niet eens meer mogelijk.

Het boek 'Sealife. A complete guide to the marine environment', waaruit de anekdotes over zeeslangen werden geput, geeft een overzicht van alle diervormen die in de wereldzeeën voorkomen: zoogdieren, vogels, reptielen, vissen en ongewervelden, zowel in de tropen als in de poolstreken. Het is een beetje de vraag voor wie een dergelijk boek bedoeld is, nu er vrijwel niet meer gevaren wordt. Misschien is het boek van belang voor studenten en een enkel zoölogisch geïnteresseerd bemanningslid van een zeeschip. Zeker is dat zeezeilers er hun voordeel mee kunnen doen: een enkel boek voor alle diersoorten op de wereldzeeën.

Hoewel Sealife zeker niet slecht is, zijn er voor speciale groepen als vogels en dolfijnen veel betere boeken. Voor zeevogels is de handige veldgids 'Seabirds of Britain and the World' van Gerald Tuck nog steeds onovertroffen, met daarbij voor de zeeman de handige gids 'Seabirds on the Ocean Routes' (allebei Collins). Voor het herkennen van dolfijnen en walvissen is zojuist 'Whales, dolphins and porpoises' van Mark Carwardine uitgekomen (ISBN 0-7513-1030-1).

Maar zo breed als Sealife is bijna geen boek. Het is niet alleen een redelijke gids, het geeft ook een aardig inzicht in de evolutie van de verschillende diergroepen, iets waar de meeste veldgidsen meestal verstek laten gaan. Een boek om bij je te hebben en te lezen tijdens een lange zeereis.

    • Rob Biersma