HET MEISJE VAN DE LANGE LIJDENSWEG

Bettine Vriesekoop neemt dit weekeinde op 35-jarige leeftijd afscheid van het internationale tafeltennis. Nooit meer kreunen, nooit meer stampen, nooit meer ruzie maken. “Het is alles of niks. Als je hoofd er niet goed opstaat, heeft een sterk lichaam ook geen zin.”

In de lobby van het hotel fluistert ze Chinese klanken, geluiden die haar nachtrust hebben veranderd. Ze droomt niet langer van het geplok van een balletje of het geschreeuw van een coach. Ze droomt tegenwoordig van Chinese karakters. Ze studeert op dezelfde ijverige wijze als ze ruim twintig jaar topsport heeft bedreven. Tijdens het gesprek in het Amsterdamse Okura-hotel spreekt ze vol overgave over de schoonheid van de taal en de schoonheid van de sport. China loopt als een rode draad door het leven van Bettine Vriesekoop.

“Chinezen zijn echt schatjes. Ze blijven gerust een uur staan praten als ze merken dat je hun taal probeert te spreken. Laatst ben ik er twee keer op straat herkend, een geweldige ervaring. Je ziet nog steeds heel veel stenen tafels op straat, met een ijzeren net. Ik heb tijdens mijn laatste bezoek, anderhalve maand geleden, nog met een oud mannetje gespeeld. Met een petje op, één tand in zijn mond. De ballen stuitten alle kanten op, zo slecht zijn die tafels.

“Zelfs de zweetlucht in de gymnastiekzalen vind ik iets moois hebben. In alle uithoeken van China heb je dezelfde geur. Als ze me een blinddoek zouden voordoen en ergens zouden droppen, zou ik meteen ruiken dat ik in China was. Toch raar dat zo'n groot land zo eenvormig kan zijn.”

Ze heeft zich altijd willen spiegelen aan de mentaliteit van de Chinese pingpongers, maar ze miste de kalmte die hen zo sterk maakt. Tot de laatste snik heeft ze geprobeerd alle Aziatische speelsters van de tafel te meppen. Het is haar niet gegund. Een wereldtitel of een gouden medaille bleek te hoog gegrepen. Ze troost zich met de gedachte dat de Chinese kampioenen bang voor haar waren. Er werd veel over haar gepraat. Haar spel boezemde ontzag in.

De komende jaren studeert ze sinologie in Leiden. Bij de officiële opening van het Top Twaalf-toernooi, afgelopen donderdag in Eindhoven, verwelkomde ze de Chinese speelsters in hun eigen taal. De klanken kwam er met horten en stoten uit. “Ik ben pas eerstejaars. Het gaat nog een lange lijdensweg worden, maar wel een leuke lijdensweg. Tijdens mijn eerste reis, op mijn achttiende, was ik meteen verkocht. Ik hoorde blanke diplomaten vloeiend Chinees spreken, een fascinerende ervaring. Ik heb thuis een hele kast met boeken over China. Ik voel me een bevoorrecht mens. Alleen loop ik de kans een beetje wereldvreemd te worden door die studie. Het slokt al je tijd op. Ik lees geen krant meer, niks.”

Vriesekoop maakte zich in Eindhoven ook nog druk om de dubieuze lotingprocedure. Waarschijnlijk een van de laatste stuiptrekkingen van een kritisch kampioene. “Misschien speel ik nog een jaar in clubverband. Daarna raak ik nooit meer een batje aan. Het is alles of niks. De cadans en de snelheid kun je alleen met veel trainen volhouden. En trainen wil ik niet meer. Als je hoofd er niet goed opstaat, heeft een sterk lichaam ook geen zin.”

Naast haar studie heeft ze ambitie om te schrijven. Haar levensverhaal leent zich uitstekend voor een autobiografie, een streekroman of een psychologisch drama. De laatste jaren heeft ze een dagboek bijgehouden. En ze schreef een boekje over haar trainingsstages in China. Twee weken geleden maakte ze haar debuut als interviewster voor Nieuwe Revu. Contacten met een uitgever heeft ze voorlopig op een lager pitje gezet. “Mijn leven leent zich voor een boek, maar ik wil geen karikatuur van mezelf zijn. Ik moet naar de goede toon zoeken, zorgen dat het niet te pathetisch wordt. Ik moet mezelf voor de zoveelste keer kwetsbaar opstellen. Misschien heb ik daar wel helemaal geen zin meer in.”

Het beknopte levensverhaal in chronologische volgorde. Een onbezorgde jeugd, als jongste van negen kinderen, op een grote boerderij in Hazerswoude. De dood van haar vader die aan kanker leed. De gedwongen verhuizing naar een flat in dezelfde gemeente. De kennismaking met coach Gerard Bakker, de goeroe die haar zelfvertrouwen tot het nulpunt reduceerde, met zijn kadaverdiscipline en zijn scheldpartijen. Daarna de wederopstanding: de tweede jeugd van een meisje dat welbeschouwd nooit een eerste jeugd gekend heeft.

“Op de boerderij hadden we grote stukken land en veel paarden en koeien. Geen varkens, daar had mijn vader gelukkig een hekel aan. Ik mocht met zware emmers sjouwen om de kalveren water te geven. Zelfstandig melken mocht ik niet. Achterin het land hadden we een eilandje, omringd door plantjes. Als ik langs de spoorlijn liep, kende ik alle namen uit mijn hoofd. Mijn lievelingsplantje heette Guichelheil. Vuurrood van kleur.

“Toen mijn vader dood ging was ik negen. We verhuisden naar een flat. Ik was nog veel te jong om te beseffen wat ik allemaal zou missen van de boerderij. De romantiek van het platteland heb ik pas later ervaren. Er waren ook voordelen aan de flat. We kregen een douche en een telefoon. Toen ik die flat voor het eerst zag, wilde ik heel hard gaan hollen over de galerij. Ik leerde tafeltennissen op een soort keukentafel. Een setje met een netje.”

Via haar zusjes kwam ze in aanraking met de wedstrijdsport. “Zij waren lid van een club die Slagvaardig heette. Ik werd lid van Avanti en daar trainde Gerard Bakker. Laten we het maar niet meer over hem hebben. Ik heb dat hoofdstuk afgesloten. Ik droom nog wel eens van die man, maar in steeds mindere mate. Hij ebt langzaam weg.”

Bij Avanti kreeg ze te maken met een maniakale opvoeder die haar talent ten koste van alles wilde omzetten in sportieve hoogtepunten. Ze won het Top Twaalf-toernooi en veroverde de Europese titel. Dankzij of ondanks Bakker, daar zal ze wel nooit achterkomen. Onder zijn leiding verbeterde ze haar backhand maar verwaarloosde ze haar forehand. Ze mocht van Bakker aanvankelijk geen lijm tussen het rubber en het hout van haar batje plakken. De coach had maling aan de voordelen van het lijmen. 'Dat heb jij helemaal niet nodig', zei hij tegen Bettine. Vijf jaar later kwam hij tot inkeer, maar toen was ze al over haar hoogtepunt heen.

Het vrolijke dorpsmeisje werd getransformeerd tot een stuurse robot. Bakker liet de puber van tafel naar tafel rennen met zandzakken op haar rug. Hij bediende in de trainingszaal verschillende knipperlichten die verschillende soorten effect suggereerden. Ze mocht nooit naar de kermis, nooit naar een schoolfeest. De eerste nationale seniorentitel won ze op haar dertiende. De eerste verliefdheid kwam op haar 28ste. Ze wist niet beter of tafeltennis was het toppunt van genot. Ze zat in een koker. Ze mocht 's avonds niet met haar collega's praten. Ze trapte bewust balletjes kapot om een tegenspeelster uit haar concentratie te halen. Langs de kant deed Bakker, die het strijdplan zelf had bedacht, alsof hij woedend op haar was. “Wanneer ik de beelden van vroeger terugzie, schaam ik me nog steeds.”

Toch heeft ze Bakker vaak genoeg verdedigd. Zijn trainingswijze was buiten proporties, maar de intentie was zo slecht nog niet. Hij was een professional die lak had aan de amateuristische houding bij de bond. “Zo bezeten als ik trainde, dat hoorde niet. Nederland kende geen topsporters in de jaren zeventig. Sindsdien is er veel ten goede veranderd, maar onze manier van trainen zou nog steeds op veel kritiek stuiten. Ik maakte met iedereen ruzie, gebruikte iedereen om mijn eigen prestaties te bevorderen. Ik was gewoon een kreng.

“We vormden een twee-eenheid. Niemand had invloed op ons. Ik stond ook buiten de familie. Dat zegt genoeg over de extreme situatie waarin ik leefde. Mijn moeder dacht dat ik in goede handen was. Ik rolde van het ene succes in het andere. Mijn vader zou trots geweest zijn. Hij was totaal sportgek, vreselijk fanatiek. Schelden voor de televisie, dat soort dingen.”

Na de Olympische Spelen van Seoul, in de herfst van 1988, volgde een frontale botsing met Bakker. De ruzies stapelden zich op, de breuk was niet meer te lijmen. Ze walgde van zichzelf, ze wilde geen batje meer aanraken. Ze verhuisde naar Amsterdam, op de vlucht voor de meester die zijn leerling had gehersenspoeld. Om weer plezier te kunnen krijgen in haar sport heeft ze zich aanvankelijk helemaal afzijdig gehouden. “Je moet eerst inkrimpen om te kunnen uitzetten”, citeerde ze een Chinese wijsheid.

'In het leven van Bettine is ook een muur gevallen', schreef Jan Mulder in 1989, het jaar van de Berlijnse samensmelting. De columnist zat dichter bij de waarheid dan hij zelf kon vermoeden. Vriesekoop is geboren op 13 augustus 1961, de dag dat de Berlijnse Muur werd voltooid. Ze schreef Mulder een briefje als blijk van waardering en raakte later met hem bevriend.

De muur om haar heen was inderdaad gevallen, ze kroop langzaam uit haar schulp. “Ik kwam natuurlijk uit een heel beschermde positie en kreeg opeens met rechtstreekse kritiek te maken. Vroeger hoefde ik niet te reageren, dat werd voor me gedaan. Ik moest opeens voor mezelf opkomen en met collega's leren omgaan. Ik moest leren communiceren. De meeste mensen konden niet geloven dat ik überhaupt zou kunnen veranderen. Er bestonden te veel vooroordelen tegen mijn persoon.”

Ze noemt tafeltennis een mengeling van schaken en de honderd meter lopen. “Je moet zo veel over het spel nadenken, dat je wel gedwongen wordt een piekeraar te zijn. In een wedstrijd moet je strategieën bepalen. Je moet heel creatief zijn. Tegelijktijd moet je heel explosief spelen en snel kunnen nadenken welk effect er in een bal zit. Je wilt zo min mogelijk van je eigen spel prijsgeven.

“Chinezen hebben van nature controle over hun lichaam. In Nederland zie ik jonge tafeltennissers die het ene been niet voor het andere kunnen zetten. De meeste kinderen gaan eerst op voetbal of tennis en als ze daar genoeg van hebben, gaan ze misschien nog een keer op tafeltennis. Wij krijgen het uitschot. Ze zouden beter eerst allemaal op turnen kunnen gaan. Voor de souplesse.”

Ze heeft zich geërgerd aan de geringe discipline bij haar Nederlandse collega's. Om die reden is ze regelmatig naar Azië gereisd, waar ze meer verwantschap voelde. “Chinezen hebben het geduld om zes uur per dag te trainen. Ze zijn nog te manipuleren. Ze mogen geen lippenstift en geen make-up gebruiken. Een permanentje is verboden. Talentvolle kinderen zien hun ouders soms maar een keer per jaar. In Nederland is zoiets ondenkbaar. De kinderbescherming zou het verbieden.”

Achter de tafel heeft ze de afgelopen jaren een gedaanteverwisseling ondergaan. Ze speelde creatiever en aanvallender dan onder het bewind van Bakker. De resultaten bleven wisselvallig, het spelplezier was aanmerkelijk toegenomen. Ze vergeleek haar nieuwe sportbeleving met een boeddhistische instelling. Meer geest dan lichaam. De geest is heilig, het lichaam is van minder belang.

Vorig jaar onderstreepte ze haar levensvisie met een geruchtmakende naaktfoto in Playboy. Het leek op een zoveelste bevrijdingsactie van Vriesekoop. Ze beweert het tegendeel. “Ik kreeg zoveel geld aangeboden, dat ik niet kón weigeren. Dat zou heel decadent zijn geweest. Door die foto kon ik mijn huis in één keer afbetalen. In arme landen hebben ze niet eens geld om kleren te kopen en hier maken de mensen zich druk om een prachtige naaktfoto. Zo intiem zijn mijn blote borsten niet. Praten over mijn gevoelens vind ik intiemer dan naakt voor een foto poseren.”

    • Jaap Bloembergen