Genvondst voorspelt voor een deel aanleg voor glaucoom

Amerikaanse oogartsen hebben een gen gevonden dat, als er DNA-afwijkingen in voorkomen, de oogziekte glaucoom veroorzaakt (Science, 31 jan).

Glaucoom is een belangrijke oogziekte die bij 1 à 2% van de bevolking voorkomt. Eerst loopt de druk in de oogbol op. Als die toestand lang aanhoudt, raakt de oogzenuw beschadigd en verliest de patiënt langzaam zijn gezichtsvermogen. De gezichtsuitval begint aan de randen en verplaatst zich langzaam naar het centrum. In Nederland zijn naar schatting 100.000 mensen met een door glaucoom verminderd of verdwenen gezichtsveld bekend bij oogartsen. Er zijn minstens evenveel mensen met beginnende verschijnselen of met een gevaarlijk verhoogde oogdruk. In de VS is glaucoom de tweede oorzaak van blindheid.

Tot de bekende risicogroepen behoren mensen met glaucoompatiënten in de familie (wat al op de erfelijke aanleg wijst), mensen met sterke brilleglazen, suikerzieken en mensen van het negroïde ras. De erfelijke aanleg, zo wordt vermoed, kan door verschillende genen worden veroorzaakt. Of de afwijking ooit last veroorzaakt is waarschijnlijk ook nog afhankelijk van invloeden die mensen met aanleg tijdens hun leven ondergaan.

Bij hun speurtocht naar een gen begonnen onderzoekers van zes Amerikaanse universiteiten (waar zich één Australische onderzoeker bij had aangesloten) met families waarbij uit eerder genetisch onderzoek bekend was dat een gen ergens op chromosoom 1 voor afwijkingen moest zorgen. In de families kwam open-kamerhoekglaucoom voor. Daarbij raakt de vochtafvoer uit de voorste oogkamer via het zogenaamde trabekelsysteem verstopt.

In genenbanken waarin de resultaten van het human genome project worden opgeslagen werden acht genen gevonden in het gebied op chromosoom 1 waar de zoektocht zich op concentreerde. Een aantal genen viel om diverse redenen af als kandidaat. Maar bij de overblijvers, APTILG1 en TIGR genaamd, viel vooral TIGR op. Dat gen codeert voor een eiwit dat overvloedig in het vochtafvoerende trabekelsysteem voorkomt. Bij acht families werd gezocht naar afwijkingen in zowel het APTILG1- als het TIGR-gen. Bij acht patiënten werd geen eenduidige variatie in APTILG1 gevonden. Maar met TIGR hadden de onderzoekers, zoals inmiddels verwacht, meer succes. Bij vijf families kwamen drie genafwijkingen voor die resulteerden in de inbouw van afwijkende aminozuren in het TIGR-eiwit of in een breuk in het eiwit.

Met deze drie afwijkingen werden vervolgens enkele grotere populaties gescreend, variërend van een groep glaucoompatiënten met de ziekte in de familie, tot vrijwillige 40-plussers met normale oogdruk en goed gezichtsveld. Daaruit rolde de conclusie dat ongeveer 3% van de glaucoompatiënten een van de drie gevonden mutaties in het TIGR-gen heeft en dat die waarschijnlijk verantwoordelijk zijn voor de ziekte. De TIGR-mutatie is daarmee vooralsnog de meest voorkomende moleculair herkenbare oogziekte in de VS.