De calculus van de vergeten poedel

Het rapport Tweedeling in perspectief heeft in ruime kring aandacht gekregen. Naast instemming met de hoofdlijn van het rapport is er in deze krant ook kritiek op te horen geweest. Hans Adriaansens bespreekt de centrale gedachte van het rapport en gaat in op de kritiek.

Wij hadden vroeger een biljart op zolder. Als klein jongetje oefende ik dagelijks voor een hoog gemiddelde. Dat ging langzamer dan ik wenste en daarom verzon ik een telwijze die wèl effect sorteerde. De poedels telde ik niet mee. Zo haalde ik een gemiddelde dat anderen zelfs na trouw cafébezoek niet haalden. Later leerde ik dat je jezelf en anderen op die manier voor de gek houdt en ben ik mijn poedels weer mee gaan tellen. Op dat moment echter ging mijn gemiddelde flink onderuit. Het duurde maanden voor ik weer gewend was aan de lagere scores en doorkreeg dat ik niet slechter was gaan spelen, maar dat de terugval een uitvloeisel was van mijn zelfverzonnen calculus.

Helaas hangt ook de grotemensenwereld van het sociaal-economisch en het sociaal-cultureel beleid van vergeten poedels aan elkaar. Onderzoekers, beleidsmakers en het grote publiek laten zich regelmatig door die naïeve calculus beetnemen. Jarenlang kloppen we ons op de borst vanwege de mooie scores op het gebied van werkgelegenheid en arbeidsproduktiviteit, zonder te beseffen dat achter die fraaie cijfers een leger van vergeten poedels schuilt. En als dan die vergeten poedels hun plaats in de rij komen opeisen, dan denken we ineens dat er met de werkgelegenheid van alles mis is en verruilen we ons naïeve optimisme voor een even ongefundeerd en naïef pessimisme.

Klassiek is in dit verband het voorbeeld van de volledige werkgelegenheid in de jaren zestig. De werkgelegenheid was toen zo volledig, dat we onze economische groei door gastarbeiders lieten bemensen. Achteraf blijkt dat er van een overspannen arbeidsmarkt geen sprake was; wel van de 'weigering' om een andere dan de traditionele groep (volwassen mannen) op de arbeidsmarkt toe te laten. In de sociaal-culturele setting van de jaren zestig werden vrouwen - letterlijk en figuurlijk - niet meegeteld; zij waren de vergeten poedels van de arbeidsmarktstatistiek (en van het arbeidsmarktbeleid).

Vanaf het moment echter dat die vergeten poedels geleidelijk werden meegeteld, groeide de werkloosheid. Anders dan menigeen dacht - en denkt - had dat dus minder te maken met een terugloop in werkgelegenheid dan met een inhaalbeweging van het arbeidsaanbod. Al met al hebben we nu eenzelfde arbeidsparticipatiecijfer als in de jaren zestig, maar lijkt het punt van volledige werkgelegenheid steeds verder uit het zicht verdwenen.

Een ander voorbeeld betreft de arbeidsproduktiviteit; die is zeer hoog in Nederland. Maar ook hier speelt de calculus ons parten. Immers, de arbeidsproduktiviteit wordt bij voorkeur gemeten per werkende en stijgt dus als we laagproduktieve arbeid wegsaneren. Berekenen we de arbeidsproduktiviteit echter inclusief alle vergeten poedels - dus per hoofd van de bevolking - dan levert dat een minder flatteus beeld op. Vanuit de top vier duikelen we tot in de onderste OESO-regionen.

Aardig is dat op deze 'inclusieve' manier geteld een toename van laagproduktieve banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt onze score op de OESO-ladder zou opstuwen. Toch hoorden we onlangs nog een waarschuwing van een werkgeversvoorzitter om ons toch vooral niet in te laten met de introductie van laagproduktieve banen, omdat dan de gemiddelde arbeidsproduktiviteit omlaag zou gaan; slachtoffer dus van de calculus van de vergeten poedel.

Een derde - en getuige de bijdrage van Flip de Kam in deze krant (21 januari) nogal omstreden - voorbeeld betreft de inkomensverdeling. Hier zijn de emoties nauwelijks buiten de deur te houden en natuurlijk is het ook zo dat mensen die langdurig op een uitkering zijn aangewezen het moeilijk hebben. Maar bedacht moet worden dat dit meer te maken heeft met het feit dat deze mensen geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt dan met een schever wordende inkomensverdeling. Bij nadere beschouwing blijkt namelijk dat de grotere spreiding in inkomens het resultaat is van een inhaalslag van - alweer - een leger van vergeten poedels: de nulverdieners van weleer. Als veel van die vergeten poedels tot de inkomensverdeling gaan toetreden - en zoals dat meestal het geval is ergens onderaan beginnen -, dan wordt de inkomensverdeling automatisch schever.

Ja maar, schrijft De Kam, de groei van het aantal huishoudens is sinds 1960 ongeveer constant en daaruit valt dus niet te verklaren dat er vanaf 1983 een knik in de egalitaire trend van de inkomensverdeling is gekomen. Hij mist echter dat in de eerste helft van de jaren '80 een soort explosie van eenpersoonshuishoudens heeft plaatsgehad. In een periode van vier jaar kwam er een half miljoen huishoudens bij, waarvan maar liefst 400.000 tot de categorie der eenpersoonshuishoudens hoorde. In die vier jaar groeide het aantal eenpersoonshuishoudens bijna twee keer zo snel als de bevolking! Die explosie vinden we terug in een toenemende scheefheid van de inkomensverdeling. Vervolgens betraden in 1986 de kamerstudenten de inkomensverdeling bij de stelselherziening studiefinanciering.

Deze ontwikkelingen betekenen natuurlijk niet, zoals De Kam suggereert, dat deze mensen het beter hadden gehad als ze thuis waren blijven wonen. Waarom zouden ze dan in zo groten getale voor een zelfstandig huishouden opteren? Revealed preference noemen economen dat toch? Omdat hij zelf ook wel nattigheid voelt, stelt hij vervolgens voor om beter te gaan kijken naar de situatie van de kamerstudent thans. Daar heb ik niet van terug. Maar tegelijk wil het er bij mij niet in, dat het een zinnig doel dient om studenten tot de nieuwe armen van Nederland uit te roepen.

Nu is deze verhandeling over inclusief en exclusief tellen slechts één van de draden waaruit het verhaal van het rapport Tweedeling in Perspectief is opgebouwd. Het verklaart de kloof tussen feitelijke ontwikkelingen en opvattingen over die ontwikkelingen. Maar betekent dit nu, dat deze deconstructie van naïef pessimisme dit rapport ineens tot een optimistisch - of zelfs 'ondermaats optimistisch' (J. Visser, ook in deze krant, 24 januari) - rapport maakt?

Misschien is het goed om de hoofdlijn van het rapport nog eens samen te vatten, zodat de lezer zelf kan oordelen over het optimistische gehalte van het rapport. De WRR zegt dat Nederland uit het diepe dal van de jaren zeventig en tachtig aan het opkrabbelen is. Dat diepe dal was het gevolg van een stagnerende economische ontwikkeling en expanderende sociaal-culturele ambities. Daardoor is de verzorgingsstaat onder zware druk komen te staan, groeide het volume van de sociale zekerheid en dreigde de vloer daarvan steeds verder door te zakken.

Vanaf het begin van de jaren negentig is het tij gaan keren. De werkgelegenheidsontwikkeling begon in de pas te lopen met de groei van het arbeidsaanbod en is daar zelfs boven uitgegroeid.

Nu weet je natuurlijk nooit hoe de werkgelegenheid zich in de toekomst verder ontwikkelt. Zal dat gaan met het laatste achtjaarsgemiddelde van 1.7 procent, met het laatste tweejaarsgemiddelde van 2.0 procent, of valt het terug naar 1.0 procent of misschien zelfs naar 0.5 procent? De WRR heeft daar geen uitspraak over willen en kunnen doen. Dat was ook niet nodig omdat al vlug bleek dat zelfs bij een tamelijk gunstig percentage van werkgelegenheidsgroei (bijvoorbeeld 1.25 procent, in het licht van de afgelopen tien jaar een niet onrealistische schatting) de problemen aan de onderkant van de arbeidsmarkt beklijven. Sterker, de tegenstelling tussen een florerend en een stagnerend deel van de arbeidsmarkt zou zich dan weleens tot een serieuze tweedeling kunnen ontwikkelen.

Om dat te voorkomen is beleid nodig. Geen bonanza- of aalmoesbeleid, maar een beleid dat de positie van laaggeschoolden in de arbeidsmarkt structureel weet te versterken. De kern van het rapport ligt dan ook in de twee beleidsoriëntaties die daartoe worden aangereikt: de emancipatie van arbeid en de emancipatie van talent.

De uitgebreide behandeling van de beleidsoriëntatie 'emancipatie van arbeid' maakt het verwijt van collega Visser, dat de WRR met al die nadruk op werk de kwaliteit van werk uit het oog verliest, onbegrijpelijk. 'Emancipatie van arbeid' gaat juist over de enorme verschuivingen die er in de kwaliteit van arbeid zijn opgetreden en nog steeds optreden.

'Emancipatie van arbeid' gaat echter een stap verder en stelt dat de betekenis van arbeid met die kwaliteitsverandering ook aan het schuiven is gegaan: van een noodzakelijk kwaad tegen de uitwassen waartegen we mensen moesten beschermen, is arbeid zelf de beschermlaag aan het worden; zonder een plaats op de arbeidsmarkt doen mensen onvoldoende mee in de samenleving. Vanuit dit perspectief redenerend komt bijvoorbeeld de relatie tussen arbeid en uitkering in een geheel ander daglicht te staan: waarom zouden we aan mensen die het meest onze bescherming verdienen als eis stellen dat ze niet mogen werken?

'Emancipatie van talent' staat op een vergelijkbare manier voor een nieuwe optiek. Na alle scholingsinspanningen van de afgelopen decennia moeten we tot onze verbazing concluderen dat niet iedereen hetzelfde diploma kan, wil of zal halen. Toch hebben we grote delen van de arbeidsmarkt ingericht op de waardering van diploma's. En als mensen buiten de boot dreigen te vallen, zoeken we de oplossing in het halen van (weer) een nieuw diploma.

Maar er is een achterliggende waarde die veel crucialer is, en dat is talent. We zullen veel meer ruimte en stimulans moeten zien te geven aan de onvoorstelbare verscheidenheid aan talent die dit land rijk is. We moeten mensen meer leren waarderen voor wat ze zijn dan op hun diploma's.

Laaggeschoold werk wordt ten onrechte geïdentificeerd met geestdodend werk. En met de term 'hamburgerbanen' heeft laaggeschoold werk ten onrechte een geur van maatschappelijk onnuttig gekregen. Meer handen aan een bed, kleinere klassen in het onderwijs, enzovoorts zijn in de ogen van de WRR nog altijd een maatschappelijk acceptabeler invulling van collectieve lasten dan 500.000 mensen afschepen met een uitkering en hen laten beloven dat ze zich verder rustig zullen houden.

En natuurlijk, alles hoeft niet ineens. Je zou het eens kunnen proberen met die onvrijwillig werklozen die er geen moeite mee hebben om voor vrijwel hetzelfde 'loon' aan hun eigen en andermans maatschappelijk perspectief te bouwen.

    • Hans Adriaansens