Broodje koopsom

De koopsompolis voor een lijfrente is een boeiend fenomeen. De verkopers vinden het een makkelijk produkt, gelijk een warm broodje. De kopers zijgen zonder nadenken door de knieën voor het belastingvoordeel. Wat er daarna gebeurt, kan ze niets schelen. Ze moeten wél lang blijven leven om het maximale er uit te halen. Ook daar staan ze niet bij stil. Toch loont het de moeite om een offerte van begin tot eind (overlijden) door te rekenen.

Een lezeres (65) stuurt een recente offerte voor een koopsompolis. Met deze polis spaart ze voor een gegarandeerd lijfrentekapitaal. Daarmee koopt ze over enkele jaren een lijfrente, een soort individueel pensioen.

Het ontvangen voorstel gaat uit van deze gegevens. Leeftijd 65 jaar. De eenmalige inleg bedraagt circa 14.000 gulden. De verzekering gaat eind 1996 in. De lijfrente moet vijf jaar later ingaan. Op dat moment heeft de verzekeraar circa 17.000 gulden ter beschikking, als de verzekerde op dat moment in leven is. Voor dat bedrag ontvangt ze bij die verzekeraar levenslang een lijfrente van bijna 140 gulden per maand, althans op basis van de huidige rente en tarieven. Ze is niet verplicht om het kapitaal juist bij deze verzekeraar om te zetten in een lijfrente. Als andere maatschappijen in 2001 meer bieden, mag ze daar naar toegaan. Die vrijheid staat echter niet in de offerte en evenmin in de produkt-brochure.

De lezeres vindt dit geen royaal aanbod. Ze neemt het kapitaal dat over vijf jaar beschikbaar zal zijn, deelt dat door de inleg en komt dan op een rente van afgerond 21 procent in vijf jaar of 4 procent cumulatief per jaar. Maar zo mag je niet rekenen. De verzekerde legt immers minder in, omdat de koopsom van het belastbare inkomen aftrekbaar is, en de verzekeraar kosten inhoudt.

Als het belastingvoordeel op 15,4 procent komt (tarief 1996 tot 45.325 gulden), betaalt ze geen 14.000, maar bijna 12.500 gulden. Daardoor komt de rente in vijf jaar tijd op 39,8 procent en per jaar op 7 procent, belastingvrij en bovenop de gebruikelijke rentevrijstellingen die mevrouw al dan niet benut.

Wat moet je doen voor die 7 procent? Slechts vijf jaar blijven leven, want dit voorstel dekt niet het risico van overlijden. Dat kan wel worden bijverzekerd, tot de helft van de inleg, maar daarvoor betaalt mevrouw 550 gulden voor 5 jaar. Dat bedrag is niet aftrekbaar van het inkomen. Kiest ze voor voor deze extra dekking, dan daalt het rendement naar 6 procent. Er is nog een punt: je moet het lijfrentekapitaal voor verzekeringen die gesloten zijn na 1 januari 1992 (invoering Brede Herwaardering-1), verplicht omzetten in een lijfrente. Je kan dus na het aangaan van de verzekering niet meer zelf beschikken over je geld.

Is daarmee aangetoond dat men niet mag klagen over deze polis? Nee, want er spelen meer factoren een rol in de beoordeling. Neem het alom geroemde belastingvoordeel. Op de lijfrente van circa 140 gulden per maand wordt belasting ingehouden. Laten we uitgaan van de voornoemde 15,4 procent, hoewel het tarief na 2001 hoger of lager kan zijn; dat weet niemand. Dat is 21,56 gulden per maand en 258,72 gulden per jaar. Laat mevrouw na haar zeventigste verjaardag nog 15 jaar leven - iedereen hoopt langer. Dan betaalt ze 3.881 gulden belasting. Het belastingvoordeel in 1996 is ongveer 2.200 gulden. Je betaalt dus zo op het oog meer belasting dan er wordt bespaard. Die conclusie is niet correct. Je moet eerst de betaalde belastingen terug rekenen (bijvoorbeeld tegen 5 procent) naar 1996 en dan vergelijken. Uit die berekening komt 2.154 gulden. Dat is nagenoeg gelijk aan het belastingvoordeel.

Wat levert de koopsom op aan netto bedragen? Per maand 118 gulden, per jaar 1.421 gulden en teruggerekend naar 1996, tegen 5 procent, 12.246 gulden. Daar staat een netto-investering (in 1996) van 12.500 gulden tegenover. Ook deze twee bedragen zijn nagenoeg gelijk. Waar blijft dan al het geld? Waarschijnlijk gaat het op aan kosten en winst van de verzekeraar. Terugrekenen tegen een percentage hoger dan 5 procent, vergroot de negatieve opbrengst.

    • Adriaan Hiele