Bevelhebber der landmacht M. Schouten over lekken en vechten na Srebrenica; 'Van een vertrouwenscrisis merk ik niets'

Vorige week werd Defensie wéér geconfronteerd met de nasleep van Srebrenica. De Kamer vroeg zich af hoe het stond met het gezag van de minister. Vraag het de bevelhebbers zelf, antwoordde Voorhoeve.

DEN HAAG, 1 FEBR. Natuurlijk zijn er spanningen tussen de krijgsmachtdelen en de centrale organisatie op het Plein, maar luitenant-generaal M. Schouten, bevelhebber van de landmacht, noemt dat normaal. “Daar wordt de koek verdeeld (13,3 miljard gulden), en soms ben je teleurgesteld en soms valt het je mee. Maar van een vertrouwenscrisis merk ik niets.”

Hij geeft toe dat de halvering van de landmacht waartoe in 1992 besloten werd, spanningen oproept. Srebrenica hangt 'als een molensteen om mijn organisatie'. De publiciteit van de laatste weken trekt die wond weer open en hij heeft het er moeilijk mee dat de gebeurtenissen van toen de krijgsmacht blijven achtervolgen. Op de vraag of minister Voorhoeve door keer op keer nieuwe onthullingen niet steeds meer wordt beschadigd, zegt hij dat het vertrouwen van de bevelhebbers in de politieke leiding niet is afgenomen. Ook in de Tweede Kamer was dat deze week niet het geval, zo laat hij erop volgen.

Zelf wil hij zijn ogen voor de nasleep van Srebrenica niet sluiten, maar Schouten vindt het zijn plicht om toch vooruit te kijken. Het nieuwe beroepsleger zal en moet professioneel werk afleveren. “Er is geen andere weg en de gezichten moeten die kant op staan. Dat wordt ook begrepen door een groot deel van de militairen die in Bosnië hebben gediend.”

Het optreden van zijn voorganger Couzy valt voor hem niet goed te volgen. “Ik ben geen psycholoog. Generaal Couzy heeft grote verdiensten gehad voor het hervormen van de landmacht. Daar doe ik niets aan af. Maar mijn voorganger verloochent zijn eigen karakter niet. Hij heeft willen aftasten hoe ver hij kon gaan met het primaat van de politiek; waar de grenzen lagen. De ratio van zijn optreden nu ontgaat mij. Hij bewijst er de krijgsmacht en dus ook de Koninklijke Landmacht geen dienst mee.”

Schouten probeert het ontstaan van lekken eerst te relativeren. Hij wijt het rondslingeren van talloze documenten aan de losse organisatie bij de Verenigde Naties. “Je moet je voorstellen dat ten tijde van UNPROFOR daar mannen werkten uit een groot aantal landen, met soms haaks op elkaar staande opvattingen over militair optreden. Er waren taalproblemen. De Verenigde Naties wilden transparant werken. Zij hadden niets te verbergen, want zij stonden tussen de partijen. In zo'n situatie is het begrijpelijk dat officieren soms een eigen persoonlijk archief bijhielden. Er werd veel gekopieerd, want er was toch weinig geheim. Ik praat het niet goed, maar het klimaat was ernaar.”

Wel geeft hij toe dat de lekken bij zijn eigen landmacht, waarbij schoenendozen vol vertrouwelijke informatie bij journalisten werden afgeleverd, ontoelaatbaar zijn. “Degenen die lekken zijn óf onnozel, óf gefrustreerd, óf al te ambitieus. Er zijn geen omstandigheden te bedenken dat ik iemand die lekt zal sparen. Dat de politiek zich ervan kan bedienen is geen excuus; dan moeten die politici zelf maar voor die informatie zorgen. Een ambtenaar en dus een militair mag zich daar niet voor lenen. Hij tikt hem, en flink ook, als hij het wel doet.”

Hij vindt het de normaalste zaak van de wereld dat minister Voorhoeve de marechaussee erbij heeft gehaald om de lekken te onderzoeken. En hij stelt zware straffen in het vooruitzicht als zoiets weer gebeurt. Hij vindt dat het werken in NAVO-verband automatisch een grotere discipline vereist. Van de implementatiemacht in Bosnië, IFOR, en haar opvolger SFOR, gaat een grotere militaire dreiging uit. Verwarring en onprofessionaliteit komen dan minder gemakkelijk voor, meent de bevelhebber.

Bij de vraag welke maatregelen de landmacht na de aftocht in Srebrenica heeft genomen om een dergelijk drama te voorkomen, aarzelt hij. Hij juicht het besluit toe na het opgeven van de veilige gebieden en de moord op duizenden moslims die bescherming hadden verwacht, onder NAVO-vlag te opereren. Die militaire uitstraling was hard nodig. En los van Srebrenica wil hij wel zeggen wat hij persoonlijk wil bereiken met het nieuwe beroepsleger. “Als er meer discipline komt en meer professionaliteit, dan wordt het incasseringsvermogen ook groter.”

Schouten wil dat teddyberen van de knapzak verdwijnen en dat de mannen hun oorringen thuislaten. Gebeurt dat niet, dan roept hij zijn ondercommandanten ter verantwoording. Hetzelfde geldt voor het gebruik van drugs en voor overmatig alcoholgebruik. Bij het gebruik van softdrugs kan een waarschuwing aan de straf voorafgaan.

De bevelhebber zegt dat de taak van soldaten zwaarder is geworden. Zij moeten hun beroep niet zien als dat van een machinebankwerker of chauffeur. “Het is totaal iets anders. In de veertig jaar NAVO na de Tweede Wereldoorlog was de kans klein dat er iets gebeurde. We hadden een grote sterke club als er wel iets aan de knikker was. We kenden bondgenoten waar we van op aan konden. Nu gaan we naar onzekere brandhaarden, vaak ver weg, buiten het vertrouwde NAVO-gebied. We kunnen gemakkelijker in situaties komen die levensbedreigend zijn. Maar de ouders van de jongens en meisjes verwachten van mij ook nu dat ze heelhuids thuis komen. Discipline en professionaliteit staan direct in relatie tot ongelukken, houd ik mijn mannen en vrouwen voor.”

Schouten wil aanpassingen van de Prioriteitennota, de plannen van Defensie uit 1992 om de krijgsmacht drastisch te verkleinen en te herstructureren. Het werk in ex-Joegolsavië heeft hem geleerd dat Nederlandse eenheden niet van heinde en ver bij elkaar moeten worden gesleept voor een opdracht in een crisisgebied. Hij wil dat de drie brigades zo worden hervormd dat zij alle mankracht en spullen in huis hebben om een crisisbeheersingsoperatie zelf aan te kunnen. Iedere brigade is dan een half jaar paraat voor een dergelijke opdracht. De commandostructuur is vertrouwd en de verschillende onderdelen kennen elkaar. De andere twee brigades kunnen dan oefenen en opleiden voor de klassieke verdedigingstaak.

De bevelhebber van de landmacht zou ook graag zien dat het Korps Commandotroepen zou worden vergroot om speciale opdrachten uit te voeren tijdens uitzendingen. De verkenning van het onzekere terrein en het verzamelen van inlichtingen is buitengewoon belangrijk, en in het verleden heeft dat teveel ontbroken. Ook moet de capaciteit van de genie worden vergroot. Dat laatste onderdeel kan bijdragen om vertrouwen bij de plaatselijke bevolking te herwinnen als het na verwoestingen tijdens nationale conflicten om wederopbouw en het handhaven van vrede gaat.

Tenslotte is Schouten niet bevreesd dat onvrede over het functioneren, de gehele nasleep van Srebrenica waarbij zich fout op fout stapelde, en het op dit moment teruggelopen aandeel van Nederland in internationale vredesoperaties aanleiding voor politici zal zijn om het relatief hoge defensiebudget (13,3 miljard gulden) in het volgende regeerakkoord te verkleinen. “Die geluiden vang ik uit de Kamer niet op. Er is veel waardering dat we doelmatig bezig zijn. Als we de ambitie hebben om internationaal een rol te spelen, dan zijn verdere bezuinigingen niet aan de orde. Ik neem aan dat dat niet gebeurt en ik maak me daar geen verschrikkelijke zorgen over.”