Barbaar op schaatsen

In 1793 zond de Engelse East India Company in nauw overleg met de Britse regering in Londen een gezantschap naar het Chinese hof in Peking. Oogmerk was om betere condities te verkrijgen voor de Engelse handel. Terwijl vanaf het begin van de directe handel tussen China en het Westen in de zestiende eeuw de Europeanen voor Chinese producten hadden moeten betalen in baar zilver, hadden de Engelsen vanaf het midden van de achttiende eeuw in opium uit India een zeer profijtelijk alternatief ontdekt om te betalen voor de in Europa zo gezochte artikelen als thee en zijde, lakwerk en porselein.

Geen wonder dus dat er van de kant van het Britse zakenleven aangedrongen werd op ruimere mogelijkheden voor de nu uiterst lucratieve handel met China, die immers in de achttiende eeuw slechts plaatsvond in Canton, onder het strikte toezicht van de Chinese overheid.

De Britse gezant Macartney werd vanzelfsprekend niet uitgezonden als vertegenwoordiger van een Engelse variant van het Medellin-kartel maar als wegbereider van de vrije handel en de moderne wetenschap. In zijn bagage had hij fraaie woorden en ingenieuze apparaten, die zijn Chinese gesprekspartners van het nut voor henzelf van de Europese expansie moesten overtuigen. Het gezantschap werd een complete mislukking, maar niet alleen omdat Macartney weigerde te knielen voor de keizer, zoals vroeger nogal eens werd beweerd. Nu de archieven van de centrale regering onder de twee laatste dynastieën steeds meer toegankelijk zijn geworden voor wetenschappelijk onderzoek, is overduidelijk gebleken dat de Chinese ambtenaren beter geïnformeerd waren dan men buiten China bijna twee eeuwen lang voor mogelijk had gehouden en dat zij weinig reden hadden om op de Britse verlangens in te gaan.

Na het mislukken van het gezantschap van Macartney besloot onze eigen Verenigde Oostindische Compagnie het beter te doen: een Britse edelman mocht zich dan te hoog achten om zich in het stof te werpen voor een oosters potentaat, een Hollands koopman had daar geen moeite mee zolang het wat zou kunnen opleveren. En terwijl het Britse gezantschap, tegen het uitdrukkelijk verzoek van de Chinese ambtenaren in, in de zomer was verschenen en meteen maar was doorgevaren naar de noordelijke havenstad Tientsin, pasten de Nederlanders zich aan de Chinese wensen aan en reisden zij hartje winter over land van Canton naar Peking om hun opwachting te kunnen maken bij de Nieuwjaarsreceptie, de gebruikelijke gelegenheid waarbij de gezanten van onderhorigheden de keizer eer bewezen.

Het Nederlandse gezantschap werd geleid door Nederlands grootste Azië-kenner van dat moment, Isaac Titsingh, maar die moest vrijwel zijn hele verblijf in Peking het bed houden met een zware verkoudheid, zo niet een longontsteking. De honneurs werden voornamelijk waargenomen door de tweede man, A.E. van Braam Houckgeest. Deze liet ook in 1798 in Philadelphia een uitvoerig verslag van de reis het licht zien, geschreven in het Frans en opgedragen aan George Washington. Dit verslag is trouwens ook zowat het enige concrete resultaat van dit gezantschap.

Op 12 januari 1795 werden de Nederlandse gezanten door de oude keizer ontvangen, tezamen met de gezanten van Korea, Tibet en allerlei Centraalaziatische volkeren. De Nederlandse gezant mocht zijn stukken aanbieden en nadat hij zich driemaal ter aarde had geworpen, informeerde de keizer minzaam naar de leeftijd van de gezant en of hij het niet koud had. Dit alles in de vroege ochtend, in de open lucht, terwijl het vroor dat het kraakte. Daarmee was het officiële onderhoud ten einde. De gezanten kregen te eten en werden 's ochtend onthaald op een demonstratie schaatsenrijden.

China werd onder de Qing-dynastie (1644-1911) geregeerd door de Mantsjoes, een volk afkomstig uit Mantsjoerije, de drie noordoostelijke provincies van het huidige China. Terwijl de historische bronnen de indruk wekken dat de Chinezen tot de zeventiende eeuw zelden of nooit de schaatsen hebben ondergebonden, waren de Mantsjoes vanaf de vroege zeventiende eeuw grote schaatsenrijders. Ook de soldaten werden met schaatsen uitgerust. Volgens Van Braam Houckgeest onderscheidden de schaatsen die hij in Peking zag zich in niets van die in zijn vaderland, behalve dan dat de Hollandse schaatsen van voren rond opliepen terwijl de schaatsen in China van voren net als van achteren recht opliepen.

Chinese geschreven bronnen zijn uiterst zwijgzaam over de jaarlijkse demonstraties schaatsenrijden. We weten meer uit twee soorten zeer verschillend materiaal. Ten eerste is er de documentaire hofschilderkunst. De Chinese en westerse kunsthistorici die de Chinese schilderkunst bestudeerden hebben zich tot voor kort vrijwel uitsluitend beziggehouden met de Chinese landschapsschilderkunst van de literaten en, in iets mindere mate, met de religieuze kunst. Op de hofschilderkunst werd neergezien als een ambacht. In de afgelopen jaren is er echter sprake van een herwaardering van deze hofschilderkunst.

Ten minste twee lange rolschilderingen uit de achttiende eeuw zijn gewijd aan de jaarlijkse schaatsdemonstraties in aanwezigheid van de keizer, en een daarvan is ook in Nederland te zien geweest in Rotterdam, op de tentoonstelling De Verboden Stad in 1990 in Boymans Van Beuningen.

In de tweede plaats zijn er de gezantschapsverslagen. Europese gezanten waren een zeldzame verschijning aan het Chinese hof in de achttiende eeuw, maar Koreaanse gezanten waren jaarlijkse gasten en velen van hen hebben schriftelijk verslag gedaan van hun bevindingen. Ook zij beschrijven dikwijls de schaatsdemonstraties. De schaatsers die voor de keizer optraden, waren de beste schaatsers uit het rijk. Het programma kende ruwweg drie onderdelen: hardrijden; acrobatiek op de schaats; en een soort military op de schaats, waarbij schaatsers al schaatsend met pijl en boog een doel moesten raken - misschien een idee voor de organisatoren van de Olympische Winterspelen.

Van Braam Houckgeest is in zijn verslag negatief over vrijwel alles wat hij in China aantreft, waarbij hij zijn eigen ervaringen afzet tegen het positieve beeld van China dat de missionarissen in Europa hadden uitgedragen. Ook de schaatsdemonstratie ontlokte hem een kritisch commentaar. Zodra de keizer in zijn slede en in zijn gevolg de gezanten op het ijs zijn aangekomen, komt een grote groep schaatsers recht op de keizer toegereden. “Alsof ze de handigheid van ons Europeanen niet kenden om vaart te minderen door te remmen met je hakken terwijl ze toch zeer snel reden, lieten de Chinezen, die hun snelheid niet konden afremmen, eenmaal vlakbij de slede zich plat op het ijs vallen om te vermijden dat ze op de slede zouden botsen.” Slechts de schaatsende kinderen krijgen een pluimpje.

Schaatsen konden de Nederlanders, althans in hun eigen ogen, natuurlijk zelf veel beter. “Omdat men vernomen had dat wij konden schaatsen, hebben enkele hoge Mandarijnen erop aangedrongen dat een van onze bedienden hun schaatsen ging halen, en dat is gebeurd. De heren Van Braam en Dozy hebben over het ijs gereden en hebben deze Mandarijnen, en vervolgens ook de Keizer zelf, een demonstratie gegeven van schaatsenrijden op zijn Europees. Zij oogstten de grootste bewondering en trokken een groot aantal nieuwsgierigen.”

Nu men in recente jaren zoveel aandacht heeft besteed aan het gezantschap van Macartney, is er alle reden ook nog eens het Nederlandse gezantschap van 1794/95 onder de loep te nemen. Niet alleen is het bewaarde Nederlandse origineel van het reisverslag van Van Braam Houckgeest nog altijd niet uitgegeven, maar men heeft nu ook de mogelijkheid de Nederlandse gegevens te confronteren met het rijke bronnenmateriaal in de Chinese archieven in Peking. Het interessantste element daarbij is ongetwijfeld de analyse van de wederzijdse beeldvorming. Leonard Bluss heeft in zijn Tribuut aan China (1989) het reisverslag van Van Braam Houckgeest gekarakteriseerd als “een nostalgisch afscheid van de achttiende eeuw”. Maar in zijn herhaaldelijk uitgesproken minachting voor alles wat Chinees is en zijn beklemtoning van de Europese superioriteit op ieder gebied, is het boek misschien veeleer een voorbode van het agressieve imperialisme van de negentiende eeuw.