Albaanse oppositie spiegelt zich aan Belgrado en Sofia

TIRANA, 1 FEBR. Met een lichte afgunst kijkt de oppositie in Albanië dezer dagen over de grens naar Belgrado en Sofia. Zou de nationale verarming, veroorzaakt door het instorten van de 'piramide-fondsen', de Albanezen ook kunnen inspireren tot aanhoudende massa-demonstraties tegen het bewind van president Sali Berisha? En zou de socialistische oppositie, dankzij de mislukking van een hoogst kapitalistisch casino-spel, die kans kunnen benutten om aan de macht te komen?

“De mensen houden de gebeurtenissen in Belgrado en Sofia nu extra in de gaten”, zegt Ylli Bufi, oud-premier en een van de leiders van de Socialistische Partij. “Ze beginnen zich te realiseren dat de demonstranten in Servië en Bulgarije vrijheden genieten die we hier niet hebben. De regering staat geen demonstraties tegen het bewind meer toe. Met het inzetten van het leger, zogenaamd om overheidsgebouwen te bewaken, heeft Berisha in de praktijk de noodtoestand uitgeroepen.”

De financiële crisis, waardoor honderdduizenden Albanezen hun spaargeld dreigen te verliezen, is in hoog tempo gepolitiseerd. De regerende Democratische Partij van Berisha probeert de aandacht af te leiden van de kritiek dat zij jarenlang de piramides heeft laten voortbestaan. De regering verwijt de oppositie dat zij het geweld en de vernielingen van de afgelopen week heeft georganiseerd. Daarbij grijpt zij terug naar vertrouwde kwalificaties als terroristen, stalinisten en marxisten. Zo krijgt het volk het schrikbeeld voorgehouden dat de Socialistische Partij de situatie wil aangrijpen om terug te keren naar de tijden van Enver Hoxha, de communistische dictator die de Albanezen afsloot van de buitenwereld.

Het is een afleidingsmanoeuvre. In de Socialistische Partij voeren oud-stalinisten nog steeds interne ideologische gevechten met de nieuwe lichting van sociaal-democraten, maar de partij wil het verleden niet in ere herstellen. De oppositie ziet in de piramide-crisis wel een mogelijkheid om de politieke impasse te doorbreken, die sinds de parlementsverkiezingen van mei vorig jaar bestaat. Na talloze incidenten van verkiezingsfraude trokken de oppositiepartijen zich toen terug. Sindsdien regeert de Democratische Partij met een meerderheid van negentig procent in het parlement en is Albanië in praktijk opnieuw een een-partijstaat.

Berisha heeft herhaalde protesten van de Amerikaanse regering en het Europees Parlement naast zich neergelegd en weigert nieuwe, vervroegde verkiezingen te houden. Daardoor staat de oppositie geheel buiten het politieke proces - een slecht begin voor de opbouw van een democratische cultuur. De Socialistische Partij heeft de regering nu opgeroepen af te treden en plaats te maken voor een zakenkabinet. Die onafhankelijke regering van deskundigen zou volgens Bufi orde moeten scheppen in de financiële chaos en binnen een half jaar nieuwe verkiezingen moeten organiseren.

Bufi meent bovendien dat een zakenkabinet kan zeggen wat de regering-Berisha politiek niet durft: er is geen geld om alle spaarders terug te betalen. “De financiële crisis is een bijprodukt van de politieke crisis. De demonstranten riepen vorige week twee slogans: 'We willen ons geld terug' en 'Weg met de regering'. De mensen beginnen door te krijgen dat de regering ze eerst van hun stem heeft beroofd en daarna van hun geld.”

In het piramide-drama heeft de oppositie moreel geen betere papieren dan de regering. Ook de Socialistische Partij heeft in het verleden uit angst om stemmen te verliezen geen kritische geluiden laten horen over de populaire informele beleggingsfondsen die gouden bergen beloofden. “Ik heb het zelf voor de verkiezingen van vorig jaar wel eens geprobeerd”, zegt Bufi. “Maar de partij dwong me mijn mond te houden. De kiezers dachten dat wij de piramides zouden opheffen als wij zouden winnen. Dat was naast de verkiezingsfraude een belangrijke oorzaak van de overwinning van de Socialistische Partij. Toen Berisha openlijk verklaarde dat het geld in de piramidefondsen 'het eerlijkste geld in de wereld' was, geloofden de Albanezen dat de regering de fondsen zou beschermen. Mijn vrouw helaas ook.”

Op korte termijn lijkt de oppositie weinig kans te hebben om de socialisten te onttronen. Met hardhandig ingrijpen door de politie en de belofte om de armste spaarders volgende week hun geld terug te betalen heeft Berisha de toestand voorlopig weer onder controle gekregen. De oppositie is versplinterd en heeft de volkswoede niet langer dan een paar dagen kunnen mobiliseren. Maar dat kan veranderen als de uitbetaling van de spaartegoeden voor veel Albanezen op een teleurstelling uitloopt, of wanneer grotere piramidefondsen als Vefa of Kamberri het begeven. “Wij zijn een vreemd volk”, zegt een jonge Albanees. “We kunnen gemakkelijk in extremen vervallen. Jarenlang kunnen we ons kalm houden en ineens exploderen we.”

De regering probeert met hulp van deskundigen van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank de schade aan de economie te beperken. Een mogelijkheid is dat de grotere piramide-fondsen zich omvormen tot legale ondernemingen, in ruil voor monopolies in bepaalde sectoren van de economie en gunstige importtarieven. “Wij hebben onze hulp aangeboden om te zorgen voor een zachte landing”, zegt Casper Warnaars, een Nederlander die voor de Wereldbank al enkele jaren in Albanië werkt. “Daarvoor is het belangrijk dat de activiteiten van alle piramide-fondsen onmiddellijk worden stopgezet en vooral dat het geld in het land blijft. Maar niemand weet hoeveel geld er al uit het land is verdwenen.”

Hoe Berisha zich ook redt uit het moeras dat hij zelf hielp aanleggen, de Albanezen zullen de economische gevolgen van hun goklust nog lang voelen. De tijd dat Albanië in Oost-Europa gold als de beste leerling uit de IMF-klas, is definitief voorbij. De inflatie, die onder Berisha is teruggebracht van 300 naar 17 procent, zal vrijwel zeker toenemen. En de staatsschuld, die in 1996 is opgelopen tot elf procent, dreigt verder te groeien. De reserve van de Centrale Bank bedraagt niet meer dan 260 miljoen dollar, minder dan de inleg in de twee piramide-fondsen die als eerste over de kop gingen.

Donderdag devalueerde de nationale munt-eenheid, de lek, met tien procent tegenover de dollar. In een import-economie als Albanië telt dat zwaar. “In andere Oosteuropese landen hebben we ook piramidefondsen gezien, maar nergens was de invloed zo groot als in Albanië”, zegt Warnaars van de Wereldbank. “Zonder zachte landing kan de situatie hier op een ramp uitlopen. Albanië dreigt te worden teruggeworpen naar de situatie van vijf jaar geleden.” De rijkere landen in de regio Italië en Griekenland houden daarom de ontwikkelingen in Tirana met extra belangstelling in de gaten. Het beeld van duizenden wanhopige Albanezen die destijds in oude boten de armoede in hun land ontvluchtten, is nog niet vergeten.