Adel

In de fraaie Profiel-bijlage van NRC HANDELSBLAD (23 januari) wordt gesteld dat adelsvererving via vrouwen een modernisering van het adelsrecht zou betekenen en dat het nu juist de bedoeling van de Wet op de adeldom van 1994 was dat niets meer aan het historisch adelsinstituut zou veranderen.

In de Middeleeuwen, maar ook na 1814, konden vrouwen hun adeldom doorgeven aan hun kinderen. Er is dus geen sprake van een modernisme, dat het historisch karakter van de adel geweld aandoet. Evenmin hoeft gevreesd te worden dat de adel in aantal zal verdubbelen.

Op grond van de peiling van het Sociaal Cultureel Planbureau uit 1995 over de naamskeuze mag verwacht worden dat bij ouders, waar de moeder van adel is, slechts 5 tot 10 procent zal kiezen voor naam en titel van de moeder. Bijvoorbeeld wanneer haar geslacht dreigt uit te sterven, zoals bij de adellijke familie van Oranje-Nassau de laatste drie generaties telkens door naamswijziging is voorkomen.

Bij de plenaire behandeling van de Wet op de adeldom in 1993 heeft wijlen minister Dales gesteld, dat de vrouwelijke lijn geregeld diende te worden bij het nieuwe naamrecht. Zij volgde daarin het advies van de Hoge Raad van Adel. Minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken kwam deze toezegging bij de behandeling van het naamkeuzerecht vervolgens niet na en verzette zich hevig tegen de moties die een ruime meerderheid van de Tweede Kamer aanvaardde teneinde de adelsvererving via vrouwen weer mogelijk te maken.

Zo hier al sprake is van een verandering van het historisch adelsrecht, waren er over de vrouwelijke lijn dus al afspraken gemaakt bij de Wet op de adeldom. De lijn van de Kamer is daarmee dus consistent; die van minister Dijkstal helaas niet.

Overigens is het in een dynamische rechtsgemeenschap niet goed denkbaar dat de eenmaal vastgestelde Wet op de adeldom nadien nooit meer veranderd zou mogen worden.