Abortus (1)

Het hoofdartikel over 'Leven en dood' lijkt mij een tegenstrijdigheid te bevatten (NRC HANDELSBLAD, 22 januari). Aan de ene kant staat er in verband met de discussie over abortus dat de vrouw primair zelf beslist indien zij zwangerschapsonderbreking noodzakelijk acht. De arts moet onderzoeken of zij onderbreking van de zwangerschap werkelijk wil.

Het beoordelen van de redenen waarom zij die wil, is niet zijn taak. Dat zou neerkomen op een externe beoordeling van “zeer intieme menselijke roerselen”. En daar kan geen medisch protocol voor worden geschreven.

Aan de andere kant voert het hoofdartikel toch een externe maatstaf aan voor het geval de vrouw in kwestie abortus zou wensen, omdat zij niet een meisje maar alleen een jongetje wil hebben. Hier komt de wil van de vrouw in strijd met het principe van gelijke behandeling. De commentator schrijft in dit verband over “het dienstbaar maken van abortus aan religieus-cultureel bepaalde vooroordelen”. En dat stuit tegen de borst.

Nu zou de vraag kunnen opkomen of hetzelfde bezwaar geldt als het om een autochtone vrouw gaat die alleen een kind van een bepaald geslacht wil en daarom een abortus vraagt? Indien dit het geval is, blijkt externe beoordeling altijd geïmpliceerd en gaat het dus niet alleen maar om het toetsen of de vrouw werkelijk abortus wenst.

Belangrijker is evenwel een ander punt. Als de vrouw zelf beslist of haar zwangerschap zal worden afgebroken, ongeacht de redenen die zij daarvoor heeft, slechts op voorwaarde dat de gevraagde abortus niet in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling, betekent dit dan niet dat het ongeboren kind niet het recht op bescherming van zijn leven heeft, maar wel op gelijke behandeling? Is het eerste recht niet fundamenteler dan het tweede?

Met andere woorden, als het beginsel van gelijke behandeling hier van toepassing wordt verklaard, moet de vraag van de rechtsbescherming van ongeboren kinderen tegenover de persoonlijke wensen van de moeder dan niet veel breder aan de orde worden gesteld?