Berichten van de tweede generatie

Simon Hammelburg: Kaddisj voor Daisy. Herinneringen van holocaust-overlevenden en hun kinderen. Roman. Kok, 200 blz. ƒ 34,90

Sytze van der Zee: Potgieterlaan 7. Een herinnering. Prometheus, 277 blz. ƒ 29,90

Een overeenkomst tussen de kort na elkaar verschenen boeken van Simon Hammelburg (44) en Sytze van der Zee (57) is dat het in beide gevallen een literaire verwerking betreft van typische tweede-generatie-trauma's. Hammelburg, naoorlogs kind van joodse ouders die in de holocaust vrijwel al hun familie hebben verloren, beschrijft in een semi-autobiografische roman hoe hij en zijn joodse vrienden zich proberen te bevrijden van hun ellendige jeugd.Sytze van der Zee is een kind van 'foute ouders', zoals dat heette. Vader was korte tijd lid van de NSB en de WA, moeder collecteerde voor de Winterhulp en samen staken zij hun oudste zoon Wim in een uniformpje van de Jeugdstorm.

Het verschil tussen Hammelburg en Van der Zee is dat het joodse jongetje lotgenoten leerde kennen met wie hij zijn wanhoop kon delen, terwijl het NSB-kind er uit schaamte het zwijgen toe deed en daardoor in een fnuikend isolement terechtkwam. In beide boeken overlijden de ouders van de hoofdpersonen. Bij Van der Zee speelt het sterven van achtereenvolgens de moeder, de vader en broer Wim een cruciale rol: voor het NSB-kind was de dood van de ouders een voorwaarde om zijn verhaal te kunnen vertellen. Want ondanks hun oorlogsverleden en de pijnlijke gevolgen daarvan voor hemzelf, hing hij te veel aan zijn vader en moeder om ze in hun zwakte aan een publiek te vertonen.

Na hun dood kon hij eindelijk zijn lang opgekropte bekentenis doen. Het indringend beschreven loyaliteitsconflict dat hem zijn leven lang in de weg heeft gezeten en dat het eigenlijke motief van het boek is, tilt het verhaal uit boven de zoveelste klaagzang van een oorlogskind. Als lezer zie je Van der Zee worstelen met zijn bitterheid en schaamte, met de minachting voor zijn ouders die vermengd is met een duidelijke angst om hen te kwetsen, met medelijden ook, en misschien zelfs liefde.

Vreemd genoeg speelt een dergelijk conflict (woede jegens versus compassie met incapabele want gewonde ouders) nauwelijks een rol in Hammelburgs Kaddisj voor Daisy. Weliswaar schetst hij gedetailleerd de kindermishandeling door zijn onberekenbare moeder en de geestelijke terreur van al die andere secreten van jiddische mamma's waaraan zijn vrienden ten prooi waren en begrijpt hij ook de oorzaken daarvan, maar het schrijnende mededogen ontbreekt. Het gaat hem om de overlevingsstrategieën van de kinderen. Die hebben elkaar ooit gevonden tijdens zomerkampen van de zionistische jeugdbeweging Ichoed Haboniem, waar ze vrienden voor het leven of, in hun eigen woorden, 'partners in crime' werden. Hun misdaad bestond en bestaat eruit dat ze zich vermaken, plezier durven hebben, iets wat thuis verboden en zelfs ondenkbaar was.

Door de achtergronden van de 'partners' te belichten (stuk voor stuk verschrikkelijke verhalen over uitgemoorde en ontwortelde families), analyseert hij op nogal afstandelijke wijze een aantal gemeenschappelijke problemen van tweede-generatie-slachtoffers. Ze hebben nooit jong kunnen zijn, ze hebben nooit mogen lijden omdat hun ouders het alleenrecht hadden op verdriet, nooit plezier mogen hebben omdat ze daarmee het leed van vader en moeder zouden ontkennen. En ze hebben nooit aan de verwachtingen van hun ouders kunnen voldoen, omdat ze daartoe met terugwerkende kracht de oorlog hadden moeten voorkomen. Allemaal waren ze, om met Ischa Meijer te spreken, het jongetje dat alles goed zou maken.

Eén probleem van de mij net iets te jolig en te gladjes communicerende 'partners' wordt door Hammelburg op een niet-afstandelijke, maar juist betrokken en doorleefde manier onder woorden gebracht: het onvermogen van alle personages om te rouwen. Wanneer de grote liefde van de ik-figuur verongelukt, is hij niet alleen onmachtig zijn gevoelens te uiten, het lijkt wel alsof hij geen gevoelens hééft. Zoals hij altijd heeft geleerd, valt zijn verdriet in het niet bij het veel grotere leed dat holocaust heet. Zijn 'partners in crime' herkennen dit feilloos en besluiten tot een gezamenlijke kaddisj, een joodse gebedsdienst, voor Daisy. Ze spreken af dat ze bij die gelegenheid mogen rouwen waarover ze maar willen, mits ze van te voren aan elkaar vertellen waaraan ze bij het graf van Daisy zullen denken.

De plechtigheid op de joodse begraafplaats van Muiderberg wordt een tot tranen toe roerende bevrijding, niet alleen voor de betrokkenen, maar ook voor de lezer. Tot op dit moment, helemaal aan het slot, is Hammelburgs boek hoofdzakelijk een vakkundige montage van waar gebeurde, althans aan hem meegedeelde levensverhalen. Het lukt niet tot de ziel van de betrokkenen door te dringen. Tijdens de kaddisj wordt duidelijk hoe dat komt: ze konden dat al die tijd zelf ook niet.

Zo gepolijst als Hammelburgs boek voor een deel is, zo ongepolijst heeft Van der Zee zijn herinneringen opgeschreven. Het is alsof hij via zijn recht-toe-recht-aan stijl, zonder literaire pretenties of pathos wil zeggen dat hij niets mooier of dramatischer wil maken dan het is. Wat hij te vertellen heeft - en dat is nu juist het drama - is een verhaal van niks. Een verhaal van niks, over ouders van niks die evenwel zijn leven gestempeld en verziekt hebben.

Bijna zes jaar was hij toen Nederland bevrijd werd en voor het gezin Van der Zee de ellende begon. Hoewel de vader maar een jaar of twee NSB-lid was geweest, werd hij een jaar geïnterneerd. Zijn vrouw en vier kinderen vervielen tot armoede, ze werden vernederd of genegeerd. Ook het kind van zes dat nauwelijks begreep wat 'NSB'er', 'landverrader' of 'collaborateur' betekende, maar er wel voor werd uitgescholden. Bij bevrijdingsfeestjes werd hij weggehoond, de eerste chocola en limonade gingen zijn neus voorbij, leeftijdgenootjes lieten hem weten dat hij bij hen thuis niet welkom was. Overigens leerde het kind daardoor al vroeg dat kleine zielen en mensen met boter op hun hoofd over het algemeen het wraakzuchtigst zijn.

Thuis, waar zijn alleenstaande moeder steeds hysterischer werd, was de oorzaak van de ellende, het vermaledijde NSB-lidmaatschap, onbespreekbaar en dat bleef zo, ook toen de vader zijn straf had uitgezeten. Het schrijnendst is dat de ouders zich nooit hebben gerealiseerd wat hun politieke keuze voor hun jongste kinderen heeft betekend. Toen zoon Sytze hen daar later op attendeerde, reageerden ze verbaasd: wat kan een zesjarige daar nou voor hinder van hebben ondervonden?

Van der Zee houdt de spanning in het verhaal door zijn jeugdherinneringen - waarin de ouders en de Hilversumse buurt waar het gezin woont vanuit het perspectief van het opgroeiende kind worden beschreven - af te wisselen met in het heden gesitueerde passages. Daarin probeert de volwassen zoon zonder resultaat achter de drijfveren van zijn ouders te komen. Zijdelings komt ook broer Wim, de ex-Jeugdstormer in beeld, die als dominee, PvdA-er, vredesapostel en lid van het 4/5-mei comite het verleden denkt te hebben afgeschud. Voor Sytze worden zijn foute ouders een obsessie. Hij schrijft een boek over Nederlandse SS'ers, verdiept zich in de oorlogsverrichtingen van zijn Duitse schoonfamilie, wordt zelfs, zoals hij het zelf uitdrukt 'nazi-jager'. Als hij in de jaren tachtig hoofdredacteur van de voormalige verzetskrant Het Parool wordt, is hij al zo ver met de verwerking van een en ander dat hij dat geen paradox meer vindt.

De tragiek van de verteller (en zijn moed om zo diep en pijnlijk in het eigen vlees te snijden) maken Potgieterlaan 7 hoe dan ook tot een aangrijpend en bewonderenswaardig boek, maar het schrijverschap van Van der Zee blijkt uit de compositie van het verhaal en de daarin opgebouwde spanning. Voortdurend is het kind bang dat de ouders iets verschrikkelijks op hun geweten hebben, dat ze joden verraden hebben, verzetsmensen aangegeven of wat er op dit vlak nog meer aan onherstelbaars te bedenken valt. De volwassen Van der Zee lijkt uiteindelijk zelfs op zo iets catastrofaals te hopen, dan was zijn lijden nog ergens op gebaseerd. Tot op het eind blijft onduidelijk wat er precies aan de hand geweest is, omdat de ouders en broer Wim hun geheimen meenemen in hun graf. De opheldering die uiteindelijk in de epiloog wordt verschaft, komt neer op een anti-climax, waardoor het drama in feite alleen maar aangrijpender wordt: wat een zielepieten die ouders, wat een vergeefsheid en wat een ellendig leven voor hun kinderen.

    • Elsbeth Etty