ARIE VISSER 1944 - 1997; Dichter van de straat

In indrukwekkende vraaggesprekken in HP/De Tijd en Trouw heeft Arie Visser in december vorig jaar zijn dood zelf aangekondigd. Herhaalde chemokuren bleken niet opgewassen tegen de ziekte van Hodgkin, en zijn lichaam was niet sterk genoeg voor stamceltransplantatie. Maar zijn magere vogelkop zat nog vol ideeën. De afgelopen jaren was hij met wiskunde bezig geweest, en er was net een nieuwe bundel van hem verschenen, Licht en Vuur. 'Sneu dus,' vond hij, 'dat het lot me weer treft, net nu ik op doorbreken sta.'

Een echte doorbraak is er nooit gekomen. De samenstellers van literaire handboeken negeerden zijn werk; in de letterkunde bleef hij dus een randfiguur. Van huis uit was hij weliswaar een boekenjongetje, maar toen hij vanuit Sneek, waar hij in 1944 geboren werd, via Apeldoorn naar Amsterdam kwam, bleek het onderscheid tussen zijn woordenwereld en de halve onderwereld die hij aantrof. Jazzmusicus wilde hij worden, maar hij begon met de studie Nederlands aan de VU. Daar maakte hij kennis met het werk van de 17de-eeuwse dichters Donne en Huygens; maar zijn drang naar geestverruiming reikte verder. Hij liep weg van de universiteit, trok een half jaar door Azië en keerde terug als opiumverslaafde.

Zo werd hij een bekende straatfiguur in Amsterdam. Zijn eerste dichtbundel, Virtuele beelden (1973), was al verschenen, maar die bescheiden uitgave stak schraal af tegen zijn eigen verschijning, door Adriaan van Dis in 1983 in deze krant beschreven als: 'een slungelige jongeman met musketierssnor en -sik, een verflenterd Indiaas sjaaltje (-) altijd een plastic tasje in de hand. Arie Visser, de junk met de grote neusgaten hongerig snuivend naar de bloemen van het kwaad.'

Na een tweede, onopgemerkte dichtbundel Altijd onderweg publiceerde Visser in 1981 de verzamelbundel Voorlopig overzicht. In kleine kring werd Arie Visser sindsdien bewonderd als een ciselerend vakman, worstelend 'met de vertekening die optreedt bij de weergave van gevoelens in woorden', zoals in 'Onrust': geen reisdoel is mij aangegeven terwijl ik toch de tol betaal hoe onrust mij heeft uitgedreven het kuiken uit de eierschaal. Dat het hem zelf ook menens was, bevestigde hij in 1983 met Con Alma, een poëziecyclus, en met Het vangen van de draak, een roman over de dopewereld zoals hij die zelf had meegemaakt. Dat boek bleek 'een bestseller in de bajes' en werd dan ook herdrukt.

Inmiddels had de dichter zijn muze gevonden, een Marokkaanse, met wie hij in 1984 trouwde. Dit huwelijk betekende dat hij moslim werd. Sindsdien schreef hij intrigerende artikelen over de Arabische cultuur en wereld, die deels op de Achterpagina van deze krant verschenen. Maar het boek dat die artikelen zou bundelen, Arabia felix, kwam niet meer van zijn tafel.