Dit is een artikel uit het NRC-archief

Religie

Lodewijk de Heilige (1214-1270); Koning van smarten

Jacques Le Goff: Saint Louis

976 blz. Bibliothèque des Histoires. Gallimard, ƒ 73,-

De achtentwintigste februari van het jaar 1232 was een regelrechte rampdag voor Frankrijk. Sinds de tijden van Karel de Kale, koning der Franken en rooms keizer, werd in de kloosterkerk van Saint-Denis bij Parijs een wijdvermaard kleinood bewaard: een van de spijkers waarmee Christus aan het kruis was geslagen. Op die bewuste dag hadden enkele monniken de zeer heilige relikwie voor de dag gehaald, zodat pelgrims haar konden kussen. Maar op raadselachtige wijze was het kostbare metaal op de grond gevallen en in de mensenstroom verdwenen. De abt en zijn kloosterlingen waren ontroostbaar. Dag en nacht schreiden ze bittere tranen. Toen het bericht van de verdwijning koning Lodewijk en zijn moeder Blanche van Castilië bereikte, werden ook zij door droefenis overstelpt. Overal liet de koning het verlies van de H. Spijker rondzeggen. Mannen, vrouwen en kinderen drongen in aller haast de kerken binnen om Gods hulp af te smeken. Wijze mannen meenden dat zo'n gebeurtenis aan het begin van Lodewijks regering weinig goeds voorspelde. Maar na dagen van paniek en angst kon iedereen weer opgelucht ademhalen. Als door een wonder was de spijker teruggevonden. In grote blijdschap werd het pronkstuk plechtig naar zijn vertrouwde plaats in de kloosterkerk gedragen.

Het voorval rond de heilige spijker miste zijn uitwerking niet op denkwereld en handelwijze van Lodewijk IX (1214-1270), koning van Frankrijk, die al bij zijn leven de Heilige werd genoemd. In de jaren die op de tragedie volgden zou diens fascinatie voor de Lijdende Christus enkel toenemen. In 1237 maakte Boudewijn II, de laatste Latijnse keizer van Constantinopel, een rondreis in het westen. Van hem kreeg Lodewijk te horen dat enkele kruisvaarders door geldnood genoodzaakt waren de doornenkroon van Christus te verkopen. Het bezit van dit illustere lijdenswerktuig wilde hij zich in geen geval laten ontglippen. Na uiterst moeizame onderhandelingen wist de koning beslag te leggen op de geliefde relikwie. Toen de doornenkroon langs vele omzwervingen Lodewijk onder ogen kwam, liet deze zijn tranen de vrije loop. Barrevoets en gekleed in een eenvoudig overhemd, droeg hij onder het luiden van klokken de heilige reliek naar Sens. Van hieruit werd de kostbare schat per boot naar Parijs gebracht, waar Lodewijk speciaal een kapel liet bouwen. Toen de Heilige Kapel in 1248 werd ingewijd, had hij inmiddels ook de hand op andere passiewerktuigen weten te leggen. Tot zijn bezittingen mocht hij rijkdommen rekenen als de azijnspons waarmee de lippen van de Gekruisigde waren bevochtigd en de lans die een van de soldaten in de zijde van de Man van Smarten had gestoken.

Lodewijk was een huilende koning. Maar anders dan men misschien zou denken was hij geen zwaarmoedig monarch. Hij had waarschijnlijk zelfs een uitgesproken vrolijke natuur. Lodewijk was zich evenwel goed bewust van het christelijke taboe op lachen. Zo trachtte hij zijn geweten te kalmeren door zich op vrijdag te onthouden van lachbuien.

De tranen van koning Lodewijk waren ook de beroemde negentiende-eeuwse Franse literator en geschiedkundige Jules Michelet niet ontgaan. Michelet, vooral bekend als degene die het begrip Renaissance een ziel gaf, was het meest op dreef in zijn grootse schildering van de Middeleeuwen. De Middeleeuwen waren volgens Michelet zelf in tranen geboren. 'Triest kind, weggerukt uit de schoot van het christendom, geboren in tranen, groot geworden in gebed en dromen, in doodsangsten, en gestorven zonder iets te hebben voltooid; maar ons zulk een aangrijpende herinnering latend, dat alle vreugden en grootheid van de moderne tijd niet in staat zullen zijn ons te troosten', schreef hij in de Histoire de France. De romanticus kende ook zelf de fysieke smaak van tranen. Diep geroerd was hij bij het lezen van de raadgevingen, die de Heilige Lodewijk bij zijn dood had nagelaten aan zijn zoon.

Reinigende kracht

Het was Michelet al opgevallen dat 'het geschenk van tranen' Lodewijk soms werd geweigerd. Aan zijn biechtvader, de dominicaan Geoffroy de Beaulieu, die later een vita van de koning schreef, vertrouwde Lodewijk toe dat hij niet altijd kon huilen en zijn hart dikwijls droog bleef. Geoffroy beloofde voor hem te bidden en na enige tijd werden hem tijdens het gebed opnieuw tranen vergund. 'Wanneer hij ze lieflijk van zijn wangen naar zijn mond voelde glijden', schreef Geoffroy, 'proefde hij ze zacht'. Michelet meende dat Lodewijk niet kon huilen vanwege zijn twijfel aan kerk en geloof. Maar de Franse historicus Jacques Le Goff, die onlangs een vuistdikke biografie van de Franse vorst publiceerde, komt met een overtuigender uitleg. Volgens Le Goff waren tranen bij uitstek het instrument van Gods genade. De reinigende kracht van water was het teken dat de Heer de boetedoening van een zondaar had geaccepteerd. Dat Lodewijk enige tijd de smaak van tranen werd ontzegd, was zeker reden tot ernstige ongerustheid. Lodewijks eigen zielenheil was immers in het geding.

Le Goff en Michelet hebben buiten hun fascinatie voor Lodewijk IX meer met elkaar gemeen. Le Goff, een van de belangrijkste naoorlogse mediëvisten, heeft zijn bewondering voor zijn negentiende-eeuwse voorganger nooit onder stoelen of banken gestoken. Het is de samenhang van degelijk bronnenkritisch inzicht en literaire verbeelding, typerend voor de mediëvistiek en in de Franse geschiedschrijving voor het eerst tot stand gebracht door Michelet, die Le Goff naar eigen zeggen tot studie van de Middeleeuwen heeft aangezet. 'L'histoire se fait avec des documents (...) et de l'imagination', schreef hij ooit met polemisch genoegen, en daarmee nam hij bewust afstand van de positivisten ('L'histoire se fait avec des documents') die de geschiedschrijving van Michelet verdacht hadden gemaakt. Le Goffs visie op het historisch metier is in menig opzicht gemodelleerd naar de geschiedbeschouwing van Michelet. Evenals zijn negentiende-eeuwse voorbeeld is Le Goff van mening dat de historicus een 'histoire totale' moet oproepen. Daarbij kunnen alle mogelijke documenten - van kunsthistorische en literaire tot juridische bronnen - worden ingezet. Alles wat een geschiedschrijver te pas komt, mag hij naar eigen goeddunken gebruiken en het resultaat is, zeker bij een historicus als Le Goff, een verrassende en oorspronkelijke geschiedschrijving.

Legitimiteit

Saint Louis is allesbehalve een gewone biografie. Wie zou dat trouwens verwachten van een redacteur van Annales, het historisch tijdschrift dat met veel bombarie de grote mannen-cultus en de traditionele politieke geschiedenis overboord heeft gegooid? Vanuit zijn fenomenale kennis van de dertiende eeuw heeft Le Goff een 'histoire totale' geschreven, maar hij heeft daarbij zijn hoofdpersoon niet vergeten. Le Goff heeft een scherp oog voor de betekenis van symboliek en ritueel in de Middeleeuwen en vooral dat inzicht werpt een nieuw licht op de figuur van de Heilige Lodewijk. Lodewijks streven om bijvoorbeeld de doornenkroon te bemachtigen past niet alleen in zijn verlangen naar vroomheid. De relikwie was op de eerste plaats een koninklijke reliek, en in die symboliek paste het ideaalbeeld van de koning die Lodewijk wilde zijn: een rex christianissimus. Zijn Franse koninkrijk was voorbeschikt een nieuw Heilig Land te worden.

Zijn leven lang werd Lodewijk in beslag genomen door zorgen om de politieke legitimiteit van de Capetingen, het vorstengeslacht waartoe hij behoorde. Velen meenden dat de Capetingen ten onrechte de koningskroon droegen. Met symbolische middelen trachtte hij dit denkbeeld te bestrijden en in die zin moet men zijn besluit zien tot grootscheepse reorganisatie van de koninklijke graven in de abdij van Saint-Denis. Deze begraafplaats werd voortaan enkel bestemd voor leden van de koninklijke familie die daadwerkelijk koning waren geweest. In het rechtergedeelte van de kloosterkerk werden de graven van de Karolingen opgesteld, voorzien van dekplaten met beeltenis, en aan de linkerzijde kregen de Capetingische koningen hun laatste rustplaats. Deze opstelling maakte op symbolische wijze de coninuïteit tussen de dynastie van Karel de Grote en die van Hugo Capet zichtbaar. Tot 1793 zou deze reorganisatie stand houden toen grafschenners, die meenden voortaan zonder verbeelding te kunnen leven, Lodewijks droom op brute wijze verstoorden.

Saint Louis is het boeiende verslag van een zoektocht naar de mogelijkheden van de biografie als historisch genre. Want hoe kan een historicus de 'illusion biographique', het opvullen van lacunes in het leven van de gebiografeerde persoon door een alwetende verteller, vermijden? En hoe is de werkelijke persoonlijkheid te achterhalen, die - zeker in middeleeuwse teksten - zozeer het product is van een auteur? Een contemporain historicus kent misschien het gezicht of de stem van zijn object. Een middeleeuws historicus staan dikwijls alleen normatieve teksten ter beschikking. Heeft Lodewijk eigenlijk wel bestaan?

Koningskroniek

De spil van Le Goffs boek en pièce de résistance van zijn historische methode is het middenluik dat 'la production de la mémoire royale' is genoemd. In dit gedeelte zijn de bronnen geordend naar herkomst van de 'producteurs de mémoire'. Zo treedt uit de teksten van franciscanen en dominicanen het beeld naar voren van een koning-bedelmonnik, die zich vooral bekommerde om de zuiverheid van zijn geweten. De monniken van Saint-Denis daarentegen, in wier kerk behalve de H. Spijker de koninklijke waardigheidstekens als kroon, scepter en ring werden bewaard, hebben Lodewijk vooral als een koninklijke heilige getekend. Toch is het mogelijk Lodewijk te leren kennen. Want veel documenten werden in opdracht van de koning geschreven en laten hem ongetwijfeld zien zoals hij wilde zijn. Lodewijk was de eerste die een koningskroniek in de Franse taal liet schrijven en deze taak vertrouwde hij toe aan monniken van Saint-Denis. Belangrijk is ook dat de sterk gekleurde kerkelijke bronnen kunnen worden geconfronteerd met het verslag van een leek die Lodewijk van dichtbij heeft meegemaakt. Deze tijdgenoot is Jean, seneschalk van Champagne en heer van Joinville. In zijn Histoire de Saint Louis maakt Joinville veelvuldig gebruik van dialogen. Lodewijk is de eerste koning van Frankrijk die we in eigen woorden horen spreken. Door nauwgezette lezing weet Le Goff, stap voor stap, aspecten van Lodewijks persoonlijkheid te onthullen. Een voorbeeld kan de resultaten van zijn close reading verduidelijken. In de Middeleeuwen maakten auteurs graag vergelijkingen tussen bestaande koningen en oud-testamentische voorbeelden. Zo liet Karel de Grote zich op een lijn stellen met David. De bijbelse koningen verschaften een model van het ideale koningschap. Dat neemt niet weg dat soms nadrukkelijk werd gezocht naar een bijbels voorbeeld dat een bepaalde koning het dichtst benaderde. Sommige middeleeuwse auteurs zagen in Lodewijk de Heilige een nazaat van David, andere beschouwden hem als de nieuwe Samuël. Maar het meest passende voorbeeld - aldus Le Goff - werd gevonden in de persoon van Josia. Deze was net als Lodewijk reeds op zeer jonge leeftijd koning geworden. Geoffroy de Beaulieu roemt de deugden van Josia en voegt hieraan toe: 'Dit alles is ook toepasselijk voor onze glorievolle koning'.

De opvallendste overeenkomst tussen Josia en Lodewijk lag in de breuk die hun beider leven kenmerkte. Na de mislukte kruistocht van 1248-1254 probeerde Lodewijk een morele orde te vestigen, waarbij vooral prostitutie en blasfemie het moesten ontgelden. Ook de bijbelse Josia begon halverwege zijn regering een religieuze hervorming, waarbij ondermeer de tempel van Jahwe werd hersteld en prostituées werden verjaagd. Lodewijk stierf uiteindelijk in de strijd tegen de moslims. Josia vond de dood toen hij optrok tegen een andere ongelovige: de koning van Egypte. Zo verraadt het model in zijn onderdelen significante momenten uit Lodewijks leven en waardevolle fragmenten van zijn persoonlijkheid. Net als Michelet heeft Le Goff oog voor de allusieve betekenis van het detail. Voor een geschiedschrijver is geen groter lof denkbaar.