Howard Hughes (1905-1976); Een zakenreus met smetvrees

Peter Harry Brown and Pat H. Broeske: Howard Hughes. The Untold Story. Dutton, 482 blz. ƒ 49,15

Howard Hughes was een raadsel. De Amerikaanse multimiljonair werd legendarisch als een steenrijke, excentrieke tycoon die in afzondering stierf. Tot lang na zijn dood in 1976 was het onduidelijk wie zijn erfgenamen waren. Had hij wel nazaten? Vrienden of familie? Een geschreven testament dook op en een pomphouder zou een zestiende van zijn miljarden krijgen. Het testament bleek vals. Zijn dood was trouwens ook een raadsel. Was het moord door zijn verzorgers? Verwaarlozing?

Hughes maakte naam als piloot, filmer en ondernemer in de vliegtuigindustrie. Al in 1932 bezat hij naar verluidt alle types vliegtuigen die er op dat moment in de wereld bestonden. Hij had het bedrijf van zijn vader, de Hughes Tool Company - dat miljoenen binnenbracht - en zijn filmstudio, die hem geld kostte. Daarnaas was hij eigenaar van Hughes Aircraft, een vliegtuigfabriek die zich specialiseerde in defensie-orders en elektronica. In zijn laboratoria werd de zelfgeleide raket ontwikkeld, die op bewegende doelen jaagt - een van de grote omwentelingen in de moderne oorlogvoering. Eind jaren dertig kocht Hughes bovendien een meerderheid in Trans World Airlines (TWA), dat hij herschiep in de succesvolste Amerikaanse luchtvaartmaatschappij van de jaren veertig.

Achter de schermen speelde Hughes een omstreden rol in het Amerikaanse politieke leven. Aan de hand van vertrouwelijke memoranda documenteerde Michael Drosnin in Citizen Hughes (1985) de invloed die Hughes probeerde uit te oefenen - soms met succes - op uiteenlopende politici als Hubert Humphrey en Richard Nixon. Hughes steunde Nixon al sinds 1946 en 'leende' hem via diens broer Donald 205.000 dollar. De onthulling van die gift leidde in de campagne voor de presidentsverkiezingen van 1960 tot een schandaal. Toen Nixon eenmaal president was,kwam dat oude schandaal, plus nieuwe donaties van honderdduizenden dollars, bovendrijven. Een populaire, maar nooit bewezen, Watergate-theorie wil dat de inbraak in de burelen van de Democraten in juni 1972 werd ingegeven door Nixons obsessie met Hughes en zijn wens om belastend materiaal te verzamelen over partijvoorzitter Larry O'Brien, die als consultant in dienst was van Hughes. In een memo aan zijn staf had Nixon gesuggereerd dat 'het tijd wordt dat Larry O'Brien eens verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn relatie met Hughes'.

De auteurs van Hughes' meest recente biografie, Peter Brown en Pat Broeske, melden helaas over diens duistere rol in politiek en zakenleven weinig nieuws, maar ze slagen er al doende wel in zijn persoonlijke leven op een interessante manier te documenteren. Grote aandacht krijgt zijn band met zijn ouders, die mogelijk licht werpt op zijn latere mentale en fysieke ontreddering.

Hughes werd geboren op Kerstavond 1905 in Houston, als zoon van een wispelturige vader die allerlei beroepen had en nooit veel geld. In 1908 echter vond hij een boorkop uit die goud betekende voor de olie-industrie. Tot dan hadden maatschappijen moeite om door de granieten aardkorst van Texas te prikken. De uitvinding veranderde de olie-industrie maar ook het leven van de familie Hughes. Senior was zo slim zijn vinding niet te verkopen maar in bruikleen te geven voor dertigduizend dollar per boring. Standard Oil alleen al gebruikte vijftienduizend van de Hughes-boorkoppen in de eerste tien jaar na de uitvinding.

Moeder Allene hield zich intusen dag en nacht bezig met haar oogappel Howard. Ze liet hem geen seconde alleen en waste hem dagelijks van top tot teen. De jongen was verlegen, maar zeer slim; op zijn elfde bouwde hij al een eigen radio en luisterde daarmee naar de scheepvaartcommunicatie in morse. Hij kocht een auto op rekening van zijn vader om hem geheel uit elkaar te halen en weer in elkaar te zetten. Na de dood van zijn moeder op 39-jarige leeftijd stortte Howard zich in het onbezorgde leventje van de rijkeluiszoon. Hij golfde en scheurde in auto's. Toen ook zijn vader overleed, vertrok hij naar Hollywood om het te maken in de opkomende filmwereld. Hughes kocht auto's, verbleef in de duurste suites, liet een door stoom aangedreven open touringcar bouwen en maakte zijn eerste film voor tachtigduizend dollar.

In Hollywood werd Hughes een volksheld. Zijn verfilming van een epos over vliegeniers in de Eerste Wereldoorlog, 'Hell's Angels', werd een groot succes. Hughes zelf verongelukte bij een vliegtuigstunt tijdens het filmen, maar verscheen de volgende dag alweer op de set. Even spectaculair waren zijn escapades met vrouwen. In het uitgaansleven liet hij zich vergezellen door sterren als Katherine Hepburn, Faith Domergue, Ava Gardner, Lana Turner, Katherine Grayson en Terry Moore. Daarnaast waren er tientallen tienermeisjes met goedgevulde boezems, die hij in tijdschriften of kranten zag en vervolgens liet opsporen. In de loop van de jaren dertig bouwde Hughes zo een waar spionagenet op - voor deze en andere doeleinden - dat zijn gelijke alleen kende in de FBI. Volgens het blad Confidential, dat een artikel over Hughes publiceerde onder de titel 'Publieke Wolf nummer één', had Hughes 'volgens de laatste telling' in Los Angeles 164 vriendinnetjes in hotelkamers en appartementen ondergebracht. Hughes droeg zijn medewerkers na publikatie van het nummer op alle exemplaren van het blad op te kopen.

Ook uit dit boek blijkt dat Hughes, naarmate hij ouder werd, aan allerlei dwangneuroses begon te lijden. Hij was bang voor bacillen en ziektes, en dus voor contact met mensen, direct of indirect. De kluizenaar Hughes viel steeds meer ten prooi aan zijn angsten en obsessies. Hij had in de jaren twintig syfilis opgelopen en was daarvan maar deels genezen. Voeg daarbij zijn roerige jeugd, zijn dwangneuroses en de hersenschuddingen die hij opliep bij zijn vele auto-ongelukken, en zijn grillige gedrag wekt weinig verwondering meer.

In de late jaren zestig gedroeg Hughes zich als een sekteleider, sloot zich naakt op in zijn suite, vermagerde en vervuilde. Zijn personeel werd geïnstrueerd 'dat geen enkele deur of opening naar welke kamer, kast of welke bergruimte die wordt gebruikt voor de opslag van mijn bezittingen dan ook ooit, zelfs niet voor een duizendste centimeter gedurende een duizendste seconde mag worden geopend. Ik wil niet dat er een mogelijkheid is dat stof, insecten of wat dan ook van dien aard binnen zou kunnen komen.'

Hughes stond toen al lang en breed bekend als een onberekenbare excentricus. Het ministerie van Defensie, ongerust door een staking onder zijn wetenschappelijke personeel in 1953, had de FBI een onderzoek laten instellen. Daaruit bleek dat Hughes verslaafd was aan codeïne, paranoïde gedrag vertoonde, emotioneel gestoord was en zelfs 'in staat werd geacht' tot moord of zelfmoord. Hij was officieel 'excentriek' verklaard.