Jan ter Laak en de grenzen van de juiste leer; De schuld van de pastor

Jarenlang genoot hij grote populariteit als omroeppastor en boegbeeld van de katholieke vredesbeweging. Tot Jan ter Laak werd beschuldigd van seksueel misbruik. Hoe een kerkelijk verbod op homoseksualiteit een progressieve 'heilige' in de knel bracht.

Deze zomer was voor Jan ter Laak het vagevuur. “Waar heb ik gefaald?” vroeg de ex-priester zich af. Hij zat op een keukenstoel bij een vriend in Nijmegen en huilde.

Achter zijn rug om - terwijl hij op vredesmissie in Colombia was - hadden een paar Pax Christi-medewerkers een klacht ingediend tegen hun secretaris, die op dat moment al dertien jaar het boegbeeld van de katholieke vredesbeweging was. De een herinnerde zich een ménage à trois, de ander een iets te intieme arm-om-de-schouder en allemaal voelden ze zich misbruikt.

In augustus, toen het bestuur van Pax Christi zich over zijn dossier boog, durfde Ter Laak niet meer over straat. Hij vluchtte uit huis en dook onder. “Het is tien procent stommiteiten en negentig procent chantage”, zei hij tegen een vriendin. Ter Laak was rusteloos, maar nog steeds zag hij een uitweg: hij zou aftreden als secretaris van Pax Christi en zich toeleggen op internationaal vredeswerk.

Maar toen kwam september. In een Netwerk-uitzending van de KRO vertelde zijn ex-vriend Jos Eggenkamp wat er zo'n vijftien jaar eerder was voorgevallen tussen hem en Jan ter Laak, die toen als omroeppastor bij diezelfde KRO de populariteit genoot van een Amerikaanse televisiedominee, althans onder jonge katholieken. Eggenkamp was een jongen van 23 die zich geen raad wist met zijn homoseksualiteit. Hij maakte een afspraak met de televisiepastor voor een gesprek. “Maar na een half uur lag ik met hem in bed.”

Tijdens de uitzending zat Ter Laak in de trein op weg naar zijn oudste zus Dorry. Ze had het programma opgenomen, maar hij wilde niet kijken. Jan was in het inferno beland, zeggen zijn vrienden, hij was helemaal overstuur. Al in 1994, toen het verhaal van Eggenkamp nog alleen bij het bisdom bekend was, was hij uit het priesterambt gezet. Suspensie, heet dat in kerkjargon. Nu dreigde ook de zwaarste straf: excommunicatie.

In Trouw vroeg een briefschrijfster zich af: “Hoe zit het met de kerkelijke werkers die praten over 'opkomen voor de zwakken' en die zulke zwakken in de spreekkamer verkrachten?” Er waren er ook die het voor Ter Laak opnamen. Een theoloog sprak van een “karaktermoord op een publieke persoonlijkheid”. Een socioloog over “de inflatie van het begrip seksueel misbruik”, terwijl een priester uit Groningen zich afvroeg of de inquisitie terug was in Nederland. Eggenkamp was per slot van rekening geen kind meer. Zijn relatie met de pastor (“vaak sloop ik op kousevoeten naar de pastorie om er de nacht met Jan door te brengen”) had hij niet als misbruik ervaren - dat gevoel ontwikkelde zich pas nadat hij van Ter Laak de bons had gekregen.

De humanist Rob Tielman ziet de val van Ter Laak - net als die van de vermeend homoseksuele bisschop Bär in 1993 - als een 'anti-homo actie' van de katholieke kerk. “Het slachtoffer, dat is Jan.” In navolging van Bär, die zich in een benedictijnse abdij in de Ardennen heeft teruggetrokken, is Ter Laak Nederland ontvlucht. Hij verblijft in een ver buitenland en volgt daar een speciale therapie voor geestelijken met seksuele problemen. Geheel van de buitenwereld afgesneden is hij niet, want hij heeft e-mail. “Ik voel me net de protagonist in een Griekse tragedie”, mailt hij aan het thuisfront. “Waar ligt mijn schuld?.”

Misje spelen

Op oudejaarsdag 1938 werd in het Gelderse Didam Johannes J. ter Laak geboren als telg van een totaal verarmd molenaarsgeslacht. Een eeuw of drie hadden de Ter Laeks de torenmolen van Huize Bergh gepacht. Jans overgrootvader had de molen uiteindelijk gekocht, en Jans grootvader was als graanhandelaar, boer en molenaar een van de rijkste en meest geziene inwoners van Didam. Totdat hij bij het speculeren op de korenbeurs een fortuin verloor. Grootvader Ter Laak moest land en vee verkopen.

De familie is de klap nooit meer te boven gekomen. Jans vader is geen echte molenaar en geen echte boer. Hij trouwt op z'n 45ste en krijgt tien kinderen. “We woonden in een van de grootste huizen, maar er was geen geld voor onderhoud”, herinnert Dorry zich, die een jaar ouder is dan Jan. “We hadden niets meer, maar de bevolking van Didam keek nog altijd op tegen de naam Ter Laak.”

Jan vindt de atmosfeer in het dorp 'beklemmend'. Hij kruipt onder tafel om te lezen, of verstopt zich met een boek in de vensterbank, achter de blinden. Als de anderen ravotten speelt hij 'misje'. Z'n broertjes en zusjes noemen hem “heilig boontje”. Jan wordt misdienaar, hij kijkt huizenhoog tegen de kapelaan op en gaat, twaalf jaar oud, naar het klein-seminarie in de Apeldoornse wijk Malkenschoten. Al gauw komt hij op voor de rechten van de pupillen. “We moeten allemaal een fiets hebben!” In De Stormlamp, het seminarieblad, schrijft hij zijn eerste artikelen over groot en klein onrecht. Later, op het groot-seminarie Rijsenbrug in Driebergen, ontpopt hij zich als activist. Een strooien pop, voorstellende de door de studenten gehate president van Rijsenburg, gaat in vlammen op. Op foto's van die tijd is hij een engel-achtige verschijning met dik, achterovergekamd haar en een indringende blik.

Ter Laaks priesterwijding volgt in 1963. Zijn broers en zussen zijn trots en tegelijk verbaasd. Hoe kan zo'n broekie, 24 is hij, nou aanstaande echtparen adviseren op seksueel gebied? “Je moet ons ook maar eens voorlichten”, pesten ze hem. Dorry heeft het zich altijd al afgevraagd: “Als je een jongen van twaalf uit huis haalt en hem volstopt met kerkwetten en de juiste leer, hoe kun je dan verwachten dat hij verstand heeft van de essentiële levensvragen?”

Wat de broers en zussen ook verbaast is dat Jan overal onrecht ziet. Tot in Vietnam toe. Op aanwijzing van kardinaal Alfrink gaat Ter Laak klassieke talen studeren in Nijmegen, iets wat hem maar matig kan boeien. Meer betrokken is hij bij de colleges politicologie van Wim Bartels, over Oorlog en Vrede. Elke week lezen en bespreken de studenten een hoofdstuk uit Morgenthau's Politics among Nations. Ter Laak richt een lokale Pax Christi-groep op en organiseert een vertoning van de film Wargames over een atoomaanval op Engeland, compleet met een verplicht-sussend praatje vooraf door een BB-officier. Na afloop stapt zijn docent Bartels op hem af met de vraag of hij het in 1966 opgerichte IKV, het Interkerkelijk Vredesberaad, wil leiden.

“En m'n studie dan?”

“Die doe je er maar naast”, beslist kardinaal Alfrink, die achter de benoeming blijkt te zitten.

Huwelijksstaking

Jan ter Laak verhuist naar Den Haag, waar hij op de pastorie achter het Binnenhof gaat wonen. “Hij wilde pastoraat en politiek met elkaar verbinden”, zegt zijn jeugdvriend Ben Schennink, polemoloog te Nijmegen. Vanaf 1968 is hij secretaris van het IKV en adjunct-secretaris van Pax Christi. Hij helpt dienstweigeraars en deserteurs uit het Zuid-Afrikaanse leger en lanceert het fenomeen 'vredesweek'. In zijn werkkamer hangt het portret van Alfrink, die tegelijkertijd voorzitter van Pax Christi en legerbisschop is.

Tussen de bedrijven door, in 1972, studeert Ter Laak af op een scriptie over het 'vredestoneelstuk' Lysistrata van de de Griekse dichter Aristophanes. Lysistrata (“een matrone van middelbare leeftijd”) roept daarin op tot een huwelijksstaking van vrouwen om de mannen te dwingen de oorlog te beëindigen. “Geen geslachtsverkeer tot er vrede is”, schrijft Ter Laak later, “dat was in kringen van Pax Christi en het IKV een nog niet bedachte actie.”

Landelijke bekendheid krijgt Ter Laak vanaf 1974, wanneer hij live op de televisie de zondagsmis opdraagt in de parochiekerk van Amersfoort. Eindelijk heeft de familie weer een vaandeldrager, iemand die de vergane glorie weer in ere herstelt. Als omroeppastor heeft hij een radioprogramma waarbij luisteraars kunnen inbellen, iets wat dan nog vrij nieuw is. Jan ter Laak is progressief, maar daarom niet minder populair. Toch kan een botsing met de katholieke dogmatici niet uitblijven. Op uitnodiging van PvdA-voorzitter Ien van den Heuvel ondertekent Ter Laak als een van de 'christenen binnen de PvdA' een advertentie die aan de vooravond van de verkiezingen in 1977 verschijnt: De PvdA is niet heilig - toch stemmen wij daar op.

“In een groot aantal opzichten hebben PPR en PSP het gelijk aan hun kant, maar in de partijpolitiek gaat het ook om 'gelijk krijgen'. Daar is macht voor nodig, dus kies ik voor een grote partij”, schrijft Ter Laak in een toelichting. Zijn achterban gruwt ervan. Een greep uit de postzak vol afwijzende reacties:

“Op de PvdA stemmen, betekent voor abortus zijn. U bent daarmee de kerk ontrouw en overtreedt een van de tien geboden: Gij zult niet doden.”

“Bent u zo kort van memorie dat u vergeten bent dat door de PvdA de bede tot God uit de troonrede verdwijnen moest?”

Niet bekend

“Wij adviseren u, draag de H. Mis niet meer op. Als ze uitgezonden wordt op tv (..) zullen we in plaats van te bidden ons zitten te ergeren.” Er waren brievenschrijvers die hem met Judas vergeleken.

Coming out

Jan ter Laak beseft dat hij aan het hoofd staat van “een voorbeeldparochie”, in het volle licht van de schijnwerpers. Dat hij behalve PvdA-stemmer ook nog homoseksueel is, weet bijna niemand. Hijzelf twijfelt en geeft er alleen in het geheim aan toe. Als zijn moeder begin jaren tachtig ziek wordt, zit hij aan de rand van haar bed. Ze heeft haar leven lang gesloofd, zonder dat ze hem de liefde kon geven die een moeder haar kind toewenst. Ze sterft in 1982, onwetend van haar zoons homoseksualiteit.

“Dat heeft hij haar willen besparen”, zegt Dorry, die het tot dan toe een raadsel heeft gevonden hoe haar broer met het celibaat omging. “Altijd zwermden de vrouwen om hem heen - om misselijk van te worden. Ik dacht: hij zal wel een vriendin hebben. Toen Jan vertelde dat hij homo was, viel alles op z'n plaats. Ik dacht ook: hij moet ontzettend eenzaam zijn geweest.”

Voor Ter Laak is de dood van zijn moeder een keerpunt. Het lijkt alsof hij op z'n 44ste aan een inhaalmanoeuvre begint; opeens zijn alle remmingen weg. Zondags staat hij achter het altaar, doordeweek ontmoet hij Eggenkamp en andere jongens, onder wie een aantal dienstweigeraars die hij intensief begeleidt. Ter Laak sluit zich aan bij een werkverband van homopastores. In 1983 vertelt hij daar op basis van zijn eigen ervaring: “Onduidelijkheid over je eigen geaardheid kan je werk als pastor c.q hulpverlener negatief beïnvloeden. Hulpverlening en eigen verlangens naar vriendschap raken dan gemakkelijk verstrengeld.”

De bisschoppen doen alsof ze van niks weten. Ze halen Ter Laak in 1983 terug naar Pax Christi, ditmaal als secretaris, omdat ze een zwaargewicht nodig hebben. Hij krijgt de opdracht om de katholieke vredesbeweging uit de schaduw van het inmiddels door Mient-Jan Faber gedomineerde IKV te halen. Het is de tijd van de kruisraketten, de grote vredesdemonstraties, het volkspetitionnement. Tussen de voormannen Faber en Ter Laak knettert het. “Jan heeft een diplomatiek karakter, hij is formeel”, zegt Faber. “We speelden ieder onze rol, maar er was onderlinge competitie: wie staat er vooraan.” Ter Laak - in 1986 in De Tijd: “Mient-Jan en ik zijn heel aardige tegenpolen. Spottend vindt hij mij de onbetrouwbare katholiek, de handige jezuïet.”

Ien van den Heuvel herinnert zich een IKV-vergadering waarbij er een spreker werd gezocht die onder brede lagen van de bevolking respect genoot. “Jan stelde iemand voor en zei: hij is niet dit en niet dat en hij is ook geen homo, dus daar kan niemand bezwaar tegen hebben. Sommige aanwezigen namen daar aanstoot aan. Dus eigenlijk zeg je: homo's komen niet in aanmerking? Toen riep Jan uit: maar ik ben zelf homo! Dat wisten wij dus niet.”

Ter Laaks publieke coming out vindt plaats als hij in oktober 1987 een column voorleest in het radioprogramma HomoNos. Hij vertelt over een politieman op roze zaterdag die hem verbaasd aankeek: “Moet u daar bij zijn?” en over zijn antwoord (“dat dapperder klonk dan ik me van binnen voelde”): “Inderdaad, daar hoor ik bij.” Verder zegt hij: “Huwelijk is niet de enige vorm van relatie. Een relatie (...) kan ook vruchtbaar zijn zonder kinderen.”

Het komt hem te staan op een persoonlijke brief van kardinaal Simonis. “Beste Jan, Mij werd ter hand gesteld jouw uiteenzetting in de uitzending 'HomoNos' (...). Als ik de tekst zo doorlees komen daar toch bedenkelijke uitspraken in voor ten aanzien van homosexualiteit.” Ter Laak krijgt de waarschuwing “dat wij als priesters ten aanzien van de leer van de Kerk nooit ambigue uitspraken mogen doen.”

Het jaar daarop krijgt het werkverband van homopastores er van langs. Op een Acht-Mei-manifestatie in Zwolle is een wandkleed getoond met de afbeelding van een priester die door een naakte man wordt omhelsd, en een icoon van Jezus tegen een roze, driehoekige achtergrond. “Een obsceniteit”, oordeelt de bisschop van Haarlem. In een brief aan het werkverband maakt Simonis duidelijk dat priesters geen homoseksueel mogen zijn.

Volgens Ter Laak en de zijnen is dat nu juist de kern van hun probleem: de krampachtige houding van de kerk. Hij zegt dat hij zich in “de bizarre situatie bevindt waarin je eigen kardinaal door je eigen COC voor het gerecht wordt gedaagd” - doelend op een klacht van de homobeweging over discriminerende uitspraken van de kerkleider. Later, als hij toegeeft dat hij mensen heeft gekwetst, houdt hij het klimaat in de katholieke kerk dan ook medeverantwoordelijk: “Het niet openlijk aanvaarden van mijn homoseksualiteit leidde ertoe dat sommige pastorale contacten door mijn toedoen een seksuele lading kregen.”

Dat Ter Laak niet veel eerder van zijn voetstuk is gestoten, houdt ongetwijfeld verband met zijn grote verdiensten, niet in de laatste plaats voor de katholieke kerk. “Om mensen als Jan ben ik katholiek gebleven”, zegt de gepensioneerde vakbondsman Herman Bode. “Je wist waar hij stond. Hij zette zich altijd in voor de zwakkeren in de samenleving.” Vrienden en naaste medewerkers zien hem als een heilige: op z'n vijftigste verjaardag krijgt hij een icoon waarop hijzelf staat afgebeeld - blootsvoets en met aureool.

Op de vlucht

Ook nadat het kruisrakettendebat is verloren en de vredesbeweging met tonnen schuld is blijven zitten, lukt het hem om zich met Pax Christi te profileren. Ter Laak verlegt eenvoudig zijn horizonten. In Afghanistan kijkt hij vanaf een heuvel toe hoe de mujahedin de hoofdstad Kabul bestookt. “Je ziet stofwolken op de plaatsen waar de raketten terechtkomen. Dit is dus oorlog”, noteert hij in zijn dagboek. Zijn reis - zeven jaar na de Sovjet-invasie - lokt cynische commentaren uit: “Vredesbeweging ontdekt Afghanistan voor eigen gebruik” (Leidsch Dagblad). “Pax Christi ruikt nieuwe kans” (NRC Handelsblad).

Maar na Afghanistan volgen Brazilië, Zuid-Korea, Oost-Duitsland, Tsjechoslowakije en keer op keer Colombia, waar 'padre Juan' de biecht afneemt in het Spaans en zich op een paard laat meevoeren naar de guerrilla. Tijdens de Golfoorlog reist hij met Pax Christi's vice-voorzitter Elisabeth Schmitz de Iraakse Scud-raketten tegemoet. Bij aankomst in Tel Aviv krijgen ze een gasmasker; 's nachts loeien de sirenes. “In pyjama met een gasmasker op zaten Jan en ik in de schuilkelder te kijken naar de instructies op tv”, herinnert Schmitz zich. “Jan maakte grappen, al kon hij zich nauwelijks verstaanbaar maken. Hij was nooit bang.” Ze omschrijft hem als een idealist die het avontuur niet schuwt. “Altijd maar sjouwen voor de idealen. Er was een grote onrust in hem, hij was onvermoeibaar, misschien ook een beetje op de vlucht.”

Na een stilte van tien jaar meldt zich in 1993 Jos Eggenkamp. Hij verwijt Ter Laak dat hij zijn overwicht als pastor heeft misbruikt. Jan ter Laak toont berouw en erkent in twee persoonlijke brieven dat hij fout zat. Maar daarmee is voor Eggenkamp de kous niet af. Die dient een klacht in bij het aartsbisdom, met het verzoek om Ter Laak uit het priesterambt te zetten “om te voorkomen dat hij zijn machtspositie nog langer verkeerd zou kunnen aanwenden”, zo vertelt hij een verslaggever van de Gay Krant. Per aangetekende brief van 12 december 1994 vraagt hij ook een schadevergoeding van 25.000 gulden. Hij schrijft dat hij nog voor het einde van dit jaar een punt wil kunnen zetten en geen komma of een puntkomma. Ter Laak haast zich te antwoorden dat hij ook graag een punt achter de zaak wil zetten en tussen twee reizen door sluit hij vlug vlug een lening af - hij leeft sober en heeft geen sou - en maakt het bedrag over. Op aandrang van Simonis besluit hij zijn ontslag als priester 'vrijwillig' (de aanhalingsteken zijn van hem zelf) in Rome aan te vragen. Eggenkamp heeft zijn genoegdoening maar blijft “erg veel last houden van het feit dat Jan ter Laak zich kon blijven profileren als het gezicht van Pax Christi”.

Steeds vaker pendelt Ter Laak heen en weer tussen Bosnië en Colombia. Met kerst draagt hij in Sarajevo de mis op en in de tropische bananenprovincie Urabá loopt hij mee in een processie. Zijn reisgezellen vinden hem onthecht, nerveus. “Het is voort, voort, voort.” Tijdens tussenstops in Nederland neemt Ter Laak een advocaat in de arm, terwijl Jos Eggenkamp in januari 1995 in het KRO-programma Kruispunt zijn verhaal vertelt - zonder de naam Ter Laak te noemen. Hij bezoekt ook bisschop Ernst en vraagt hem (zo vertelt hij de Gay Krant-journalist): “Kunt u als mens aangeven hoe het kan dat een seksueel misbruiker van zo'n omvang secretaris van Pax Christi kan blijven?”

In het voorjaar van 1996 merkt Dorry dat er problemen zijn. Komt haar broer haar in Vaassen opzoeken, dan blijft hij altijd maar heel even. Nu wel drie dagen. “Er is narigheid”, weet ze. Op het Pax Christi-kantoor in Hoog Catharijne blijkt dat er ook iets anders aan de hand is. Er is daar een medewerker die slecht functioneert. Het bestuur vindt dat Jan ter Laak hem moet ontslaan en snapt niet waarom hij de beslissing telkens voor zich uitschuift. Ter Laak zegt dat hij de situatie nog een tijdje wil aanzien. Hij heeft het druk, moet weer op reis, voor de dertiende keer naar Colombia.

Bij thuiskomst op 1 juli blijkt er een collectieve aanklacht tegen de secretaris van Pax Christi te zijn ingediend. De medewerker, die jaren geleden met Ter Laak het bed had gedeeld, is erachter gekomen waarom hij zich zo slecht kan concentreren op zijn werk. “Het is de angst voor Jan ter Laak.”

In afwachting van een intern onderzoek staat de secretaris op non-actief. Ineens heeft hij zeeën van tijd om zich te realiseren dat hij al die jaren in het buitenland op de vlucht was voor zichzelf. Aan een vriend bekent hij: “De ergste momenten waren die waarop ik geen afspraken had en niets kon doen. Elf uur tussen vreemden in de bus van Zagreb naar Sarajevo, dat was dodelijk.” Het bestuur van Pax Christi denkt de zaak op te lossen door de aard van de beschuldigingen te verzwijgen. Het volstaat met een persbericht: J. ter Laak treedt met onmiddellijke ingang af als algemeen secretaris “om redenen van persoonlijke aard”; hij wil met zijn besluit bijdragen aan de oplossing van een 'arbeidsconflict'.

Eggenkamp tegen de Gay Krant-journalist: “Dat was voor mij de limit. De werkelijke reden kwam niet boven tafel.” Vol rancune stapt hij naar de Brandpunt-redactie van Netwerk en noemt man en paard in de uitzending van 6 september. Ter Laak, omringd door vrienden en familie, wordt amper 48 uur later naar Schiphol gebracht en vertrekt overzees. Diezelfde week nog zeggen zijn broers en zussen hun lidmaatschap van de KRO op. Bij het bisdom Utrecht melden zich nog twee 'slachtoffers' van Ter Laak, maar Pax Christi noch de kardinaal geven toe dat het plotselinge aftreden van de secretaris verband houdt met een zedenzaak. Pas op 18 november in een pastorale brief over seksueel miskruik legt Simonis de link met Jan ter Laak. Het komt neer op zijn publiekelijke uitstoting. De broers en zussen zijn woedend. Namens de familie schrijft Dorry een brief aan de aartsbisschop die ze besluit met de woorden: “Geen zegewensen voor u en zeker niet in Christus.”