ESB-artikel als alternatieve troonrede

Het nieuwjaarsartikel van de secretaris-generaal van Economische Zaken is een alternatieve troonrede. De vertrekkende secretaris-generaal L.A. Geelhoed heeft daarmee zijn laatste artikel voor het economenblad ESB geschreven. Hij wordt secretaris-generaal op Algemene Zaken en daarmee de belangrijkste ambtelijke adviseur van premier Kok. Zijn belangrijkste boodschap is dat Nederland geen eiland is.

DEN HAAG, 4 JAN. Een paar dagen na de jaarwisseling kan Nederland kennis nemen van de beleidsopvattingen van de secretaris-generaal van Economische Zaken. Het 'orakel' van Den Haag gebruikt als medium het nieuwjaarsartikel in het tijdschrift Economische Statistische Berichten. Secretaris-generaal G. Brouwers begon in 1957 met de nieuwjaarsartikelen, maar onder de vorige secretaris-generaal, F.W. Rutten, kregen ze een politieke betekenis. Enerzijds schreef topambtenaar Rutten over economie en beleid. Anderzijds analyseerde en interpreteerde professor Rutten de economische ontwikkelingen.

Ruttens leermeester D.B.J. Schouten plaatste vraagtekens bij het wetenschappelijke karakter. Zo wees Schouten in 1987 op de eenzijdige literatuurselectie. “Rutten kiest uit de hem voorgelegde krantenknipsels, boeken of tijdschriften in feite slechts die zinnen en titels, die in zijn zienswijze (of die van het kabinet!) passen.”

In een reactie schreef Rutten dat er tussen hem en Schouten een zakelijk meningsverschil is over de techniek en de mogelijkheden van economisch beleid. In de visie van Schouten moet de overheid ingrijpen wanneer het marktevenwicht is verstoord. Volgens Rutten komt een nieuw evenwicht automatisch tot stand onder voorwaarde dat het marktmechanisme ongehinderd kan werken - bij zijn aantreden in 1973 had Rutten trouwens nog een sterk geloof in de sturende macht van de overheid.

Zijn opvolger, L.A. Geelhoed, heeft deze traditie voortgezet en koesterde veel vertrouwen in het vrije spel van vraag en aanbod. De overheid moet daarvoor de optimale voorwaarden creëren en zich concentreren op haar klassieke taken zoals rechtshandhaving, onderwijs, en infrastructuur en zo weinig mogelijk interveniëren. In zijn nieuwjaarsartikelen heeft Geelhoed zeven jaar lang gewezen op de verstarde institutionele arrangementen in de Nederlandse economie. Hij vergeleek het teweegbrengen van institutionele veranderingen als het lopen van een marathon in een moeras: “de onenigheid over de te volgen route maakt de eindstreep bij voorbaat onbereikbaar”.

In zijn eerste ESB-artikel hekelde de topambtenaar het tot dan toe gevoerde beleid. Er waren nauwelijks prioriteiten gesteld, laat staan dat er een afweging werd gemaakt van de kosten en baten van overheidsbeleid. “Het woud van voorzieningen en arrangementen lijkt op een tropisch etagebos: op de ene laag regelingen is de volgende tot stand gekomen en in deze stapeling zijn ordening en samenhang moeilijk te ontdekken”, schreef Geelhoed in 1991.

Volgens hem waren vooral de subsidies en het stelsel van sociale zekerheid aan herziening toe. Nederland is als “subsidieland een buitenbeentje” en de belangrijkste eigenschap van sociale zekerheidsstelsel is “dat het leidt tot versnelde afstoting van minder produktieve arbeid, waarbij de kosten worden afgewenteld op de nog wel produktieve arbeid”.

Politici pikten de boodschap op. Later in het jaar besloot het kabinet Lubbers-Kok fors te bezuinigen op de overheidsuitgaven, oplopend tot een bedrag van twintig miljard gulden in 1994 waarbij stevig is bezuinigd op de subsidies. En het stelsel van sociale zekerheid werd, met een aanscherping van de regeling voor arbeidsongeschiktheid WAO, ingrijpend gesaneerd. Een besluit dat de partij van Geelhoed, de PvdA, aan de rand van de politieke afgrond bracht.

Waar Rutten de maatschappelijk politieke situatie afwachtte voordat hij structurele aanpassing bepleitte, probeert Geelhoed een maatschappelijke discussie te entameren; met gebruik van wollige metaforen. “Voor West-Europa heeft het gunstige conjunctuurbeeld de riskante bedrieglijkheid van een bloeiende klimroos aan een bouwvallige gevel” (1995).

In 1993, een jaar voor de Tweede-Kamerverkiezingen, brak Geelhoed een lans voor een ander begrotingsbeleid. Het “primair op de boekhoudkundige vermindering van het financieringstekort gerichte” beleid leidt tot een “heel kortademige besluitvorming”. Geelhoed in de functie van his masters voice. “Wij hijgen nu van de ene naar de andere bezuinigingsronde”, klaagde CDA-minister Andriessen in die tijd.

In zijn 'alternatieve troonredes' verloochende Geelhoed zijn vorige functie niet. Als hoogleraar en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid schreef hij artikelen over de mogelijkheden van nationale overheden in een wereld waarin beslissingen steeds meer afhankelijk worden van internationale ontwikkelingen. Hij signaleerde dat de lidstaten van de Europese Unie steeds meer met elkaar concurreren en via bijvoorbeeld belastingvoordelen, bedrijven proberen te lokken. Als topambtenaar pleitte Geelhoed om snel in te spelen op internationale economische veranderingen. Volgens Geelhoed is de dynamiek van de Europese economie meer gebaat bij beleidsconcurrentie tussen de lidstaten dan bij harmonisatie van het beleid. Dat zou alleen maar tot verstarring en verslechtering van de Europese concurrentiepositie leiden. Om deze beleidsconcurrentie effectief te voeren, is voor Nederland een verdere sanering van de sociale zekerheid en flexibilisering onafwendbaar. Zijn critici vinden dat de topambtenaar zich te veel de maat laat nemen door het buitenland.

In zijn laatste nieuwjaarsartikel signaleert hij ook een “markante omslag in de waardering van de publieke aanbodzijde als een bepalende factor voor het investeringsklimaat”. Het geloof in maakbaarheid van de samenleving staat al jaren op een laag pitje; behalve op het terrein van de infrastructuur. Onder leiding van premier Kok heeft een aantal ministers zich het afgelopen jaar gebogen over ruimtelijke en economische scenario's voor de volgende eeuw. Geelhoed was daarbij één van de belangrijkste ambtelijke souffleurs. Voor premier Kok vormde dat één van de redenen om deze partijgenoot tot secretaris-generaal van zijn departement te benoemen.