'...als het tot den dood ontroert'

Twee staatshoofden, twee kerstboodschappen. Maar terwijl de boodschap van koning Albert van België geheel in het teken stond van de gruwelijke gebeurtenissen in welker ban zijn land sinds deze zomer staat, had die van koningin Beatrix afgezien van een korte toespeling op de “ernstige ongelukken [die] ons land in het afgelopen jaar opgeschrikt” hadden, een thema dat van alle tijden is: de dood.

Hiermee brak zij met een traditie, want in haar vorige toespraken raakte zij bijna altijd onderwerpen aan die een politieke lading hadden. Soms leek zij daarbij in tegenspraak te komen met haar eigen regering. Zo in 1988, toen zij sprak over “de vernietiging van de aarde [...] in een stil drama”, terwijl de Troonrede van dat jaar de milieuproblemen juist enigszins had gebagatelliseerd.

Koning Albert daarentegen veroorloofde zich dit jaar veel directere politieke uitspraken. Hij maakte zich tot tolk van degenen die “verlangen naar een gerecht dat menselijker is, dat efficiënter werkt”, en van hen die “op alle niveaus integere gezagsdragers” willen. Hij gaf ook prioriteiten aan, in de eerste plaats aan “de opvoeding van de kinderen”.

Al noemde hij die wensen “verzuchtingen”, het was duidelijk een politieke boodschap. Hij kon ook moeilijk anders, want aan het eind van dit annus horribilis zou de bevolking - Vlamingen en Walen - geen genoegen hebben genomen met algemeenheden van de enige autoriteit waarvoor zij nog enige eerbied hebben.

Heel anders is de situatie van koningin Beatrix in haar land. Zeker, ook ons land kent moeilijkheden, maar zij vallen in het niet bij die van het buurland - ook zonder de zaak-Dutroux. Dit jaar is het in het omringende buitenland zelfs als modelland bewonderd geweest. Misschien is dat enigszins overdreven, maar er heerst in elk geval geen acute crisis.

Is het daarom dat Hare Majesteit deze keer zich verre heeft gehouden van alles wat ook maar enigszins als kritiek uitgelegd zou kunnen worden? Of is het omdat er de laatste tijd, terecht of ten onrechte, enige kritiek was gerezen over wat door de critici gezien werd als inmenging van haar kant in de politiek? We weten het niet.

In elk geval is zij er weer in geslaagd een merkwaardige rede te houden. Merkwaardig in meer dan één opzicht, want het feest van Christus' geboorte gebruikte zij voor een overdenking over de dood, en daarbij moest zij, als hoofd van een multiculturele samenleving, zorgvuldig schaatsen tussen christelijke, joodse en islamitische opvattingen daaromtrent. Ja, zelfs de boeddhisten - hoevelen zijn er daarvan in ons land? - werden genoemd.

Zeker heeft zij een thema gekozen dat ons allen beroert. Immers, al lijkt onze samenleving de dood te willen ontkennen of verdringen - ook dat signaleerde zij -, ieder ogenblik van ons leven is nu eenmaal een stap naar de dood. Als de dood niet de enige zekerheid van ons leven is, is het sterven in elk geval “deel van ons bestaan”, zoals de koningin zei.

Zij richtte zich voornamelijk tot degenen die door de dood van hun dierbaren zijn gescheiden en [...] zonder hen verder moeten”, de nabestaanden, de overlevenden dus. De stervenden zelf noemde zij aan het eind van haar toespraak: “bij stervensbegeleiding, in thuiszorg of in tehuizen [...] wordt veel gedaan om pijn te verlichten en mensen in staat te stellen het einde in rust tegemoet te gaan”.

Dat is zeker juist, maar al die zorg, mogelijk gemaakt door de verzorgingsstaat en door de medische wetenschap, maakt ook dat het stervensproces, naar het gevoel van de meest betrokkenen zelf, vaak te lang gerekt wordt. Veelal is het niet de vrees voor de dood zelf, maar die voor de langzame, lichamelijke en geestelijke, aftakeling en ontluistering die ons beheerst.

De dood kan dus ook als bevrijding ervaren worden. De dichter Boutens bezingt de “Goede Dood, wiens zuiver pijpen door 't verstilde leven boort”, en besluit zijn gedicht: “En alleen is leven leven als het tot den dood ontroert”. Het moet ons wèl mogelijk gemaakt worden om, met Paulus, te zeggen: “Dood, waar is uw prikkel?”

Wie zich bewust is van eigen sterfelijkheid, zal misschien niet zo ver gaan als de Poolse filosoof Leszek Kolakowski, die het leven een “onvermijdelijke nederlaag” noemde omdat het met de dood eindigt, maar als - per definitie bijna - een tragedie zal hij het wel ondervinden, en wel om dezelfde reden - tenzij, natuurlijk, hij gelooft dat hij met de dood een beter leven, zo niet het Leven, ingaat.

Aan dat geloof geeft een 'zware' predikant, geciteerd in een recensie in Trouw van 28 december, op extreme wijze uiting: “De reis kort op. Nog een verdrukking van enkele dagen, en dan naar huis. Voor eeuwig naar huis.” Deze boodschap heeft de koningin ons niet willen meegeven, maar evenmin de boodschap die een overledene liet zetten in zijn overlijdensannonce in deze krant van dezelfde datum: “Doodgaan is zo saai.”

Wie moeten wij meer benijden?