De fiets

Er zijn zeven postcodedistricten in Nederland waar geen fietsen worden gestolen. Dat valt ongelofelijk mee. Het woord ongelofelijk lijkt me hier wel op z'n plaats. Gewoon ergens aan de Waddenkust tussen Ulrum en Rodeschool of aan het IJsselmeer tussen Zurich en het Mirdummer Klif, of in het land tussen Ulft en Groenlo je fiets tegen een boom zetten, hem door omstandigheden daar moeten laten staan, een jaar later weer in die buurt komen, denken: 'Ik moet toch eens even kijken of...' en dan het weerzien.

Er zullen weinig Nederlanders zijn die dan meteen hun ogen kunnen geloven. Toch is het zo: nul gestolen fietsen.

Hoe weet ik dat? Je hebt jongens die dan zeggen: 'Omdat ik het zelf heb meegemaakt!' Maar ik heb al een aanwijzing gegeven. Het staat in de PostcodeView die voor ƒ 1.495,- te koop is (excl. BTW en verzendkosten); een prachtig staaltje van computerprogrammeerkunst dat je op je PC kunt raadplegen. Ik kan me voorstellen dat je mensen in Amsterdam hebt (198.000 fietsen per jaar gestolen) die het voordeliger vinden niet naar een van deze veilige postcodedistricten te verhuizen, maar zich liever af en toe voor ƒ 35,- (geen BTW of verzendkosten) hun volgende fiets in de buurt van het Waterlooplein aanschaffen.

De wetenschap over de steelvrije postdistricten ontleen ik aan een reclame van de PTT Mediaservice, in het laatst verschenen reclameweekblad Adformatie. De kaart met alle postdistricten staat erbij; heet De kaart van Oom Agent. Je denkt: zonder een kwinkslag gaat het niet. Maar laten we er niet over zeuren. Het is een mooie en onthullende kaart, met in ieder district een cijfer of getal dat het aantal per jaar gestolen fietsen in duizenden uitdrukt. In het Groene Hart bijvoorbeeld (dat toevallig op deze kaart lichtgroen is) zijn het er, twee districten bij elkaar, 104.000.

Wat valt daaruit af te leiden? Oppervlakkig gezien dat een onbedorven milieu en fietsen stelen niets met elkaar te maken hebben. Hoewel? In het gebied van Leeuwarden zijn het er 124.000, maar in de onmiddellijke landelijke omgeving 1.000 tot 3.000. Als wetenschapper weet je niet meer waar je de significanties moet zoeken.

Ik dacht aan Sjef van Oekel. Hij bestudeert de etalage van een rijwielhandelaar (heet nog altijd zo). Ogenschijnlijk is daar niets te zien. Hij zegt: 'Kijk! Voorgestolen fietsen!' Ik raadpleegde een stukje dat ik op 15 maart 1992 heb geschreven naar aanleiding van een merkwaardig bericht, althans een bericht dat ik toen merkwaardig vond, in de Volkskrant: 'In Nederland worden nu meer fietsen geproduceerd dan gestolen'. Het was alsof de rijwielindustrie het lek boven water had weten te krijgen. Meer dan vier jaar geleden. Het jaar daarvoor waren in Amsterdam 150.000 fietsen gestolen, dat wil zeggen 410 per dag, dat is bijna 18 per uur. Valt eigenlijk nog mee. Toen werd geschat dat in het jaar 2000 ongeveer tweemaal zoveel Amsterdammers op een gestolen fiets zouden rijden als op een zelf gekochte. Ik kan dat niet allemaal uitrekenen, maar mijn mathematische intuïtie zegt me dat we dit streefgetal al ruim zijn gepasseerd.

Nederland en de fiets zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden, ofschoon dit dus niet geldt voor iedere Nederlander met zijn eigen fiets. De Tsjechische schrijver Karel Capek (1890-1938) heeft er een mooie reisbeschrijving aan gewijd, waarin hij het fietsen als een uitdrukking van het volkskarakter ziet: zuinig, evenwichtig, wendbaar en overal gemakkelijk te stallen. Dat was dus voor het nationale fietsenstelen losbrak. Een fietsendief heette toen zwijntjesjager; en zo kom ik vanzelf op de nieuwste publicatie van de lexicograaf Ewoud Sanders: Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord. (*)

Het is, samengevat, het verslag van de zoektocht naar de oorsprong van een belangrijk, modern Nederlands woord, verweven met een beknopt erudiet essay, waarbij je, als je van het onderwerp houdt, bovendien nog wel eens in de lach kunt schieten. Ik bepaal me verder tot een citaat waaruit mag blijken dat het belang van de fiets voor de natie moeilijk kan worden overschat. 'Geen woord heeft de Nederlandse etymologen zo geobsedeerd, schreef A.P. de Bont in 1973, en hij heeft gelijk, want de kwestie komt in minstens zeventig publicaties aan bod, variërend van etymologische woordenboeken en wetenschappelijke tijdschriften tot studies over de fiets in Nederland.' Het woord rijwiel is een van de oudste benamingen, en dat is opmerkelijk: het heeft zich tot de dag van vandaag in combinatie met handel gehandhaafd terwijl het met pad nog een achterhoedegevecht levert. De laatste druk van de Grote Van Dale vermeldt nog 29 combinaties. Het woord rijwieldief bestaat niet.

(*) Ewoud Sanders, Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord, Sdu, Den Haag, 1996. Gedeeltelijk eerder verschenen op de Achterpagina van NRC Handelsblad. Deze uitgave is bestemd voor relaties van de uitgever. Het valt te hopen dat hierna een handelseditie zal verschijnen.