'Om te overleven moet Europa een natie worden'; Scheuren in het Europese huis

HetEuropese Huis, waar Michail Gorbatsjov tien jaar geleden over sprak, vertoont scheuren. Terwijl Europese regeringen verwoede pogingen doen om tot eenheid te komen en hun werelddeel als een geheel te presenteren, vertonen de burgers steeds vaker separatistisch gedrag. 'Nationalistische' bewegingen bedreigen niet alleen de Europese eenwording, ook bestaande staten lopen gevaar. Een staalkaart van de gebiedenwaar het streven naar autonomie of afscheiding aan de oppervclakte is gekomen

LONDEN, 27 DEC. Een nationalistische politieke partij in Catalonië, in het noordoosten van Spanje, wil dat Catalaanse sporters als vertegenwoordigers van Catalonië aan internationale evenementen als de Olympische Spelen deelnemen. Schotten bejubelden enkele weken geleden de terugkeer van de Stone of Scone, een steen die eeuwen geleden door een Engelse koning werd meegenomen naar Londen, en die een symbool is van de Schotse natie. En in Denemarken stapten onlangs bezorgde burgers - overigens zonder succes - naar de rechter uit vrees voor verdere aantasting van de Deense soevereiniteit.

Het zijn opmerkelijke staaltjes van nationalistisch gedrag in een werelddeel dat juist verwoede pogingen doet er een te worden. Professor Anthony Smith, hoogleraar aan de London School of Economics en een van de oprichters van ASEN (Association for the Study of Ethnicity and Nationalism), verbaast zich er niet over. Hij vraagt zich zelfs af of dat verenigde Europa er ooit zal komen. Identificatie van burgers met hun eigen land is volgens Smith hardnekkig en hoewel Europese staten veel gemeenschappelijks hebben, ontbreekt het in Europa aan eensgezindheid.

“Als het zou blijven bij een Brussels ministerie van Economische Zaken ondermijnt dat de kracht van individuele staten, maar de identiteit van de naties zal er niet door worden aangetast”, zegt Smith in zijn werkkamer in het hart van Londen. “Fransen hoeven zich niet minder Frans te voelen met een euro op zak. Als Europese wetgeving zich ook gaat uitstrekken tot defensie, emigratie, buitenlandse en sociale politiek, dan verandert Europa in een eenheidsstaat die regeert over een verzameling etnische groepen - sommigen zouden dat nieuwe Europa een Empire noemen.”

Smith twijfelt aan de kracht van zo'n staat: “Om te overleven zou Europa eigenlijk een natie moeten worden. Maar het is de vraag of Europees nationalisme kan concurreren met dat van individuele landen. Is het mogelijk dat een Duitser zich in de eerste plaats Europeaan voelt? Kan Europa energie en vitaliteit van nationale culturen overnemen en op een Europees niveau herformuleren? Mij lijkt dat een bijna onmogelijke opgave; daarvoor wordt de Europese geschiedenis te veel gekenmerkt door verdeeldheid.”

De natie en het daarmee verbonden nationalisme zijn volgens Smith belangrijke drijfveren in het politieke en culturele handelen van mensen. Tot voor kort vertroebelden de Koude Oorlog en de nucleaire dreiging die daarvan het gevolg was veel van die nationale gevoelens. Nu de polarisatie is afgenomen, is de noodzaak voor bundeling van krachten verdwenen. En direct richt de aandacht zich weer op de etnische identiteit, compleet met de spanningen die dat onvermijdelijk tot gevolg heeft.

Voor Smith is een natie geen onveranderlijk gegeven. “Een natie is niet iets dat wel of niet bestaat”, zegt hij. “Het is iets dat in meerdere of mindere mate bestaat. Het is een wordingsproces, gestuurd door groeiende territoriale onafhankelijkheid, door een streven naar culturele en economische eenheid, door de invoering van wettelijke regels waaraan iedereen zich dient te houden.”

Het is volgens Smith zelfs mogelijk dat er naties bestaan die geen staat zijn, zoals in het verleden Polen: “Zelfs toen het land was verdeeld tussen Pruisen, Oostenrijk en Rusland, bleef de Poolse natie overeind. De Polen verlieten hun land niet en hun streven naar economische en politieke rechten, ging niet verloren.” Een natie is niet zomaar van de landkaart te vegen.

“Een staat en een natie hebben een belangrijke overeenkomst: het bezit van een min of meer vastgesteld grondgebied”, zegt Smith. “Maar terwijl een natie een gemeenschap is, is een staat slechts een verzameling instituties, hoewel die natuurlijk vaak deel uitmaken van een cultuur. In het verleden bestonden er veel staten die geen natie waren, zoals keizerrijken, stadsstaten en feodale graafschappen. Tegenwoordig zijn bijna alle staten ook een natie. Of in ieder geval maken ze er aanspraak op een natie te vertegenwoordigen - sommige staten, zoals Groot-Brittannië, zelfs meer dan één: Schotland, Engeland, Wales en Noord-Ierland.” Mocht zo'n natie haar rechten opeisen, dan wordt het volgens Smith moeilijk voor de staat om zich daartegen te verzetten zonder geweld te gebruiken. Maar waarom zou een natie zover willen gaan?

Het probleem is volgens Smith dat etnische bewegingen onderling vaak sterk in kracht verschillen. “Groepen die in het verleden weinig oog hadden voor een gezamenlijk verleden, kunnen in wedijver met anderen, en vaak ook uit angst voor hen, ineens besluiten dat ook zij gedeelde mythen hebben, die het bezit van een eigen territorium en van een eigen maatschappelijke structuur rechtvaardigen”, zegt Smith “Daaruit ontstaan grotere en kleinere fluctuaties, die gezamenlijk de geschiedenis uitmaken. Ik geloof niet in een lineair verloop van de historie.”

Ook binnen een natie kan de aandacht volgens Smith verschuiven: “Als een van de pijlers onder de natie het begeeft, wordt een andere vanzelf sterker. Als een gedeeld grondgebied niet meer voldoende aantrekkingskracht heeft, krijgt etniciteit al gauw de overhand. Dat kan een staat ernstig verzwakken. Je ziet het in België. Dat land had in 1830 geen tijd om ook nog even een gemeenschappelijke cultuur op te bouwen en het mist daardoor een hart. Vlaamse en Waalse tegenstellingen, die daaruit zijn voortgekomen, laten zich dan ook niet meer wegcijferen.

“Er resten België slechts een paar oplossingen. Het meest radicale scenario is deling, zoals Tsjechië en Slowakije hebben gedaan. Als het land dat niet wil, en daar lijkt het nog steeds op, kan het voortgaan op de weg van een ver doorgevoerd federalisme, met garanties voor het verdelen van politieke besluitvorming. België kan natuurlijk ook proberen een staatsvorm te creëren waarin etniciteit een ondergeschikte rol speelt. Maar dat is in een democratie vrijwel uitgesloten. Want democratische besluitvorming is nog steeds georganiseerd langs etnische lijnen.”

Dat betekent overigens niet dat iedere nationalistische beweging volgens Smith vanzelfsprekend allerlei rechten voor zich kan opeisen. Padania, de zogenaamde Noord-Italiaanse 'natie' die enkele maanden geleden door Umberto Bossi van de Lega Nord werd uitgeroepen, vindt hij onzin: “Of het is Italië, òf het is Venetië én Lombardije én Piemonte én Liguria én... Dat Rome corrupt zou zijn, tja, misschien hebben ze daarin wel gelijk. Maar alleen op economische ongelijkheid kun je geen natie bouwen.” Ook Bajuwarië, dat volgens een vage, bombrieven versturende actiegroep in Oostenrijk zou moeten worden gevormd uit Beieren en een deel van Oostenrijk, kan volgens Smith nooit bestaan. “Misschien dat de bewoners in die streek wel allemaal afstammen van de Bajuwaren. Maar er is geen living link met dat zesde-eeuwse verleden. Om diezelfde reden hebben de Catalanen en de Basken in Spanje meer recht van spreken dan de Occitaniërs in Frankrijk - ook al hebben die een eigen taal - of de Northumberlanders in Engeland.”

Als een etnisch conflict eenmaal aan de oppervlakte is gekomen en enige tijd voortwoekert, nestelt het zich volgens Smith stevig in het gemeenschappelijk geheugen waar het niet zomaar meer uit verdwijnt. “De kracht van bittere herinneringen kan moeilijk worden overschat” zegt Smith. “Eenvoudige politieke oplossingen voor langdurige etnische conflicten bestaan niet. Een bepaalde mate van daadwerkelijke, politieke, en zo nodig fysieke scheiding is noodzakelijk, ook als dat in laatste instantie zou leiden tot volledige afscheiding.” Smith pleit voor een permanente internationale commissie - vergelijkbaar met een internationaal tribunaal voor gevallen van oorlogsmisdaden - die bij etnische conflicten aanbevelingen zou kunnen doen voor een oplossing.

Smith vindt met zijn visie over nationalisme niet veel steun bij andere historici. Voor zijn leraar wijlen Ernest Gellner, een van de belangrijkste onderzoekers op dit gebied, was nationalisme een zuiver politiek principe, “dat ervan uitgaat dat politieke en nationale territoriale eenheden moeten samenvallen”, zoals hij schreef in zijn boek Nations en Nationalism. Gellner is geneigd nationalisme als een typisch negentiende-eeuws verschijnsel af te doen. Toen maakte de massaproduktie in het prille industriële tijdperk het noodzakelijk om mensen een gemeenschappelijk ideaal te geven. Ze te verenigen, goed op te leiden en zo nodig gewapend ten strijde te laten trekken tegen iedereen die de nieuw verworven welvaart zou willen afpakken.

In deze tijd, waarin individuele staten internationaal nauwelijks een rol kunnen spelen en waarin de werkgelegenheid in het ene land afhangt van een renteverlaging in het andere, kan nationalisme naar het museum verwezen worden. Zo schrijft de historicus E.J. Hobsbawm in zijn boek Nations en Nationalism since 1780: “Evenals de meeste serieuze onderzoekers beschouw ik de 'natie' niet als een erg belangrijke en ook niet als een onveranderlijke entiteit.” Nationalisme wordt een vorm van folklore, en daarmee is de politieke angel eruit verdwenen.

Smith bestrijdt die opvatting en het toegenomen nationalisme van de laatste jaren geeft hem, vindt hij, alleen maar gelijk. In zijn vorig jaar gepubliceerde boek Nations and Nationalism in a Global Era (Uitg. Polity Press) schrijft hij: “Het feit dat nationalisme steeds weer de kop opsteekt in verschillende delen van de wereld, zelfs in federale staten en ontwikkelde samenlevingen, laat zien hoe onjuist en misleidend het geloof is dat een gedepolitiseerde natie de oplossing is voor agressief nationalisme.” Volgens Smith is juist het kameleon-achtige karakter van nationalisme een van zijn sterkste wapens. Nationalisme is in staat van gedaante te veranderen als de omstandigheden dat vereisen.

Smith, die om veiligheidsredenen liever niet wordt gefotografeerd, lijkt daarmee ongewild een pleitbezorger te worden van extreem-rechtse partijen als het Front National in Frankrijk, het Vlaams Blok of de Oostenrijkse Freiheitliche Partei - alledrie berucht om hun tegen 'buitenlanders' gerichte politiek.

Smith ontkent dat: “De bloei van extreem-rechts heeft te maken met angst. Mensen zijn bang voor culturen die ze niet kennen, waarmee ze door de komst van buitenlandse arbeidskrachten en asielzoekers worden geconfronteerd. Hoe irreëel die angstgevoelens ook mogen zijn, ze zijn uitingsvormen van een diepere angst, namelijk die voor het verlies van richting in een maatschappij. Vertrouwde banden, zoals religie, verliezen aan betekenis, waardoor Westerse samenlevingen hun bestemming lijken kwijt te raken. Dan groeit de aantrekkingskracht van extreem-rechtse partijen, omdat ze op het oog simpele oplossingen aanbieden. Het is aangenaam als er een partij opstaat die roept dat het allemaal de schuld is van de buitenlanders. Het nationalisme wordt misbruikt voor doelen die niets met de hechtheid van een nationale staat te maken hebben.”

Maar is Smiths nationalisme niet op zijn minst een gemakkelijke prooi voor extreme partijen? Hij heeft het over 'gedeelde mythen' en geeft toe dat nationalisme een vaak troebele historische blik heeft - tot de natie behoort iedereen die de leugens over het verleden deelt.

“Pas op”, zegt Smith. “Natuurlijk kunnen herinnering en mythe verkeerd worden geïnterpreteerd of worden overdreven, maar ze zijn daarmee nog niet vals of geconstrueerd. Veel van die mythen hebben wel degelijk een historische grondslag.”

Nationalisme hoeft volgens Smith van een samenleving geen gesloten vesting te maken. Extreem-rechts heeft de neiging onveranderlijke elementen van een natie te onderstrepen, vooral in de vorm van racisme. Nationalisme ontleent echter zijn kracht aan een gedeelde cultuur. Die kan iedereen zich eigen maken. “Een huidskleur heb je, maar een taal kun leren”, zegt Smith. “Het gedeelde verleden is geen doel op zichzelf. Een hechte natie eist geen homogeniteit, maar eensgezindheid.”

Een STAAT is een verzameling instituties, met een gelegitimeerd monopolie op het gebruik van geweld, binnen vastgestelde grenzen.

Een NATIE is een gemeenschap gebaseerd op een gezamenlijke cultuur, met eigen mythen en tradities, met kennis van de eigen ontstaansgeschiedenis, of althans een gedeelde opvatting daarover en met een gemeenschappelijke lotsbestemming. Verder heeft een natie een territorium en een bepaalde graad van economische en juridische samenhang, die de gelijkwaardigheid van haar leden garandeert.

Een ETHNIE, een etnische gemeenschap, is een groep mensen die zich van anderen onderscheidt door (vermeende) gemeenschappelijke afstamming, gedeelde herinneringen en elementen van een gedeelde cultuur (vooral taal en religie). Vaak bestaat binnen zo'n gemeenschap een verlangen naar een eigen vaderland. De joden ten tijde van de diaspora vormden bij voorbeeld een ethnie.