Grote greep in verhalen Allard Schröder; Dubbelzinnige verlangens van leven en dood

Allard Schröder: Het pak van Kleindienst. Vijf verhalen. De Bezige Bij, 125 blz. ƒ 27,50

Het eerste van de vijf verhalen uit Het pak van Kleingeest is meteen het raadselachtigste. Een meisje gaat aan moeders hand een dagje uit naar Amsterdam, zonder te vermoeden wat de moeder daarmee in de zin heeft. Het meisje is pas acht. De twee bereiken een pand aan de Keizersgracht, waar ze klaarblijkelijk worden verwacht. De vrouw des huizes leidt hen binnen in een rode kamer, een envelop gaat over tafel en de moeder zegt het meisje dat ze zich moet uitkleden. Ze moet een nachtpon aan. Ze moet in een vertrek hiernaast gaan liggen in een bed waarin al iemand anders ligt. Een moeie, zieke man. Zij zal daar slapen en dan zal haar jeugd in hem overvloeien, waarna hij kan genezen. Ze zal geven wat ze toch in overvloed bezit.

Met tien druppels uit een apothekersflesje slaapt het meisje naast de zieke in en droomt verwarde scènes uit een leven dat het hare niet is, 'alsof iemand koortsachtig in een boek bladerde zonder te kunnen vinden waarnaar hij op zoek was'. Het is het leven van de zieke, ze herkent zijn vrouw. Ze ziet ook een tweede vrouw, die hij van zijn geweten niet mag aanraken, en een zoon, die dood is, en wanneer ze wakker wordt heeft alles om haar heen een nieuwe glans. En dan komt het.

'Terwijl ze daarover nadacht', staat er, 'voelde ze een onbekende pijn, die niet schrijnde maar zelfs eerder zoet was en die ze instinctief herkende, al hoorde hij nog niet voor te komen in het leven van een achtjarige. Ze had iets dergelijks al eens waargenomen in de ogen van haar moeder en andere volwassenen niet wetend wat ze zag: weemoed.'

Wat is hier gebeurd? Het gaat hier om een vorm van kinderprostitutie, maar dan schijnbaar zonder seks. Een vorm van vampirisme, maar dan zonder bloed en uitschuiftanden. Het is meer iets virtueels, een uitwisseling van geesten in de schemerwereld van de droom. De zieke treedt het lichaam van het meisje binnen en wordt jong, het meisje gaat de omgekeerde richting en wordt oud. Ze leert de tijd en de vergankelijkheid kennen en daarmee de weemoed, het besef 'dat er dingen waren die, eenmaal gebeurd, nooit terugkwamen'.

Een rite de passage, dat is waar het in dit verhaal om draait. Als lezer ga je met het meisje door de poort van de volwassenheid en ziet de wereld anders terug. Met het besef dat dingen onomkeerbaar blijken, komt al gauw ook het vervaarlijke besef dat het bestaan een fuik is van verval en ziekte en uiteindelijk de dood en, erger nog, dat mensen vaak maar al te graag een handje helpen om je naar het einde van de fuik te jagen. Als je eigen moeder je al van je jeugd berooft, domweg voor een envelop met geld, dan moet je haast wel tot de slotsom komen dat de wereld een domein is van agressie en vernietiging. Zodat de vraag wordt: hoe overleef je daar?

De personages uit de volgende verhalen, stuk voor stuk volwassenen, lijken daar een antwoord op te hebben. Ze leven in uiteenlopende tijden en culturen, maar ze blijken in hun houding veel gemeen te hebben. Een soldaat uit het antieke Sparta deserteert uit zijn legioen tijdens een veldslag en verkiest een leven in de luwte. Een slaaf uit het oude Rome krijgt de kans zich aan te sluiten bij de legermacht van Spartacus, maar blijft maar liever bij zijn meester in de huishouding. Een duiker uit het interbellum zou voor altijd onder water willen blijven om zijn medemensen te ontlopen, met hun stoere praatjes, en een radartechnicus uit onze tijd is blij dat hij alleen maar aan zijn beeldscherm hoeft te zitten: 'Hij was militair en liet anderen beslissen'.

Schuchter zijn ze, bijna willoos. Ze onttrekken zich aan de vernielingen van het bestaan, als kleuters die hun ogen sluiten in de hoop dat anderen hen niet zullen zien wanneer ze zelf niets zien. Maar daar komen ze bij Allard Schröder niet mee weg, dat voel je alleen al aan zijn taal. Hij schrijft gebeitelde alinea's, op een onaangedane, ongenadig registrerende toon, die doet vermoeden dat je van zijn kant geen medelijden moet verwachten. Onbewogen kijkt hij op de personages neer, op hun verhoopte veiligheid, en laat hij zien hoe zij vanuit hun ooghoeken toch telkens weer gevaren bespeuren. Kleuren laat hij voor hun aangezicht verschieten, avondluchten worden paars als gif, gebitten slaan groen uit, een lach oogt als een steekvlam. Wat vertrouwd leek, toont zich plotseling vijandig, niets is meer zeker.

In die onheilstekens kondigt zich aan wat Schröder daarna stap voor stap laat zien: hoe hun passieve levenshouding zich uiteindelijk juist tegen hen keert. De Spartaanse deserteur kan niet meer terug naar huis, of hooguit anoniem, en gaat beseffen dat hij bij zijn leven al gestorven is. De duiker weet dat hij uiteindelijk nooit meer aan land zal willen en dus zal verdrinken. De radartechnicus hoort dat een meisje dat hij stil begeert een vorige geliefde heeft vergiftigd en begrijpt ineens dat zoiets dus ook hem kan overkomen. De Romeinse slaaf hoopt dat hij bij zijn meester veilig is, maar wordt vervolgens door die meester bijna doodgetreiterd omdat hij zo stom geweest is te 'vergeten' weg te lopen. In hun teruggetrokkenheid maken de vier zich tot prooi van de vernietiging die ze zo graag zouden ontlopen.

Maar zodra je die conclusie trekt, dat is het intrigerende van deze bundel, merk je dat het pas de halve waarheid is. Hier is intussen iets veel ondoorgrondelijkers aan de hand. Hoe Schröders slachtoffers de dreiging van de dood ook van de deur proberen te houden, je ontkomt niet altijd aan de indruk dat ze daar tegelijkertijd naar verlangen. Al weet de duiker dat de zee zijn dood zal worden, hij ziet het water als iets koesterends en ronduit moederlijks. 'De rustige, bijna tedere - ik schroom niet juist dit woord te gebruiken - deining die je in haar wiegende armen nam, deed je terugkeren naar iets waarvan je dacht dat je het voor altijd had verloren.' Hij keert terug naar de baarmoeder, naar zijn ongeboren staat.

Aan de dood proberen te ontsnappen door de dood te zoeken, dat is de verborgen dubbelzinnigheid in deze personages. Een dubbelzinnigheid die overigens ook al sprak uit Schröders indrukwekkende roman Raaf van vorig jaar. 'Het is een kwaad en een dwaasheid te willen leven', heet het daar, 'maar wie er geen weerstand aan kan bieden en het leven eenmaal aanvaardt, kan er geen afstand meer van doen zonder zijn eigen ondergang te wensen.'

Het is een stelling die doet denken aan De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden, die zich van begin tot eind laat lezen als een onderzoek naar een uitweg uit een leven vol dood. ('De dood is onze cel, die we door diezelfde dood kunnen ontvluchten'). Het is typisch een stelling voor een schrijver van de grote greep, de hoge gooi, en is het geen geringe verdienste dat Schröder daar vorm aan weet te geven op de vierkante centimeter van een kort verhaal. In nog geen dertig bladzijden ben je omringd door vragen die zo ontzagwekkend zijn dat je ze nauwelijks hardop durft uit te spreken. Waarom willen wij leven? Willen wij leven?

Maar het pronkstuk van de bundel is toch wel het openingsverhaal, waar al die vragen opkomen bij het leven van een meisje dat nog van geen vragen weet. Zij is de argeloze proefpersoon, je ziet de dubbelzinnige verlangens van leven en dood in haar groeien. Als ze de weemoedigheid van de volwassenheid ontdekt, ben je meteen geneigd te wenen om de kinderlijke onschuld die daar sneuvelt. Maar zijzelf blijkt veeleer 'opwinding' te voelen, ze verlangt in stilte naar een volgend nachtje slapen in een ziekbed. Ze wil meer van die volwassenheid. Ze haat haar kinderlijfje en gaat voor de spiegel zitten om haar wangen te blanketten en haar lippen rood te stiften. Ze wil vol in het leven, merk je. Ze wil vol in het leven en ze weet nog niet dat ergens binnenin haar tegelijkertijd een ander spoor wordt uitgezet. Ze loopt met open ogen in de val van het bestaan.

Uit: Allard Schröder, Het pak van Kleindienst Er werd een lamp ontstoken. In een hoog ledikant lag een man, zijn donkere haren uitgewaaierd op het kussen, de mond open, het geel van de omhoog gedraaide oogballen glom tussen de half geloken oogleden, de sterke geur van een ziekbed was overal. Alma zag hem als uit de verte, haar hoofd was te licht om nog iets scherp te kunnen waarnemen.

Het gezicht van Hélène Verhul trad uit de schemering en boog zich voorover naar het meisje. Ze sprak haastig en dringend: de man in het ledikant was ziek en aan het eind van zijn krachten. Zij, Alma, zou bij hem in bed slapen, zodat haar jeugd in hem zou overvloeien, waardoor hij nieuwe kracht opdeed om te genezen. Zij kon iemand het leven redden door hem te geven wat zij toch in overvloed had.