De vreemdheid van Robert Walser; Leven zonder er bij te zijn

Jürg Amann: Robert Walser. Eine literarische Biographie in Texten und Bildern. Arche, 178 blz. ƒ 78,20

Cathèrine Sauvat: Vergessene Weiten. Biographie zur Robert Walser. Bruckner &u Thnker. Uit het Frans vertaald. 330 blz. ƒ 14,75 (pbk)

Robert Walser (1878-1956) lachte altijd het liefst in zijn eentje. Verschillende voorbijgangers hebben later desgevraagd verklaard dat ze de schrijver tijdens diens dagelijkse wandelingen in het Zwitserse landschap schaterend in de verte hoorden verdwijnen - alsof voor hem spazieren en Spass dezelfde oorsprong hadden. Niemand begreep het solitaire plezier van de afstandelijke wandelaar, die aanspraak vermeed en in alle jaargetijden een paraplu bij zich had om lastige honden weg te jagen.

Zijn leven lang heeft Walser zich verwijderd, terwijl hij verbaasd werd nagestaard. Wandelen, zijn grote lust, was voor hem: zich uit de voeten maken. Hij verlangde ernaar thuis te zijn tussen de mensen, maar hij vreesde hun toenadering. Zo werd hij een vreemde, die aan zijn eigen vreemdheid gehecht raakte, en voelde hij zich pas op zijn gemak wanneer niemand hoogte van hem kreeg. 'Begrijpenden grijpen in ons in, kwellen ons met hun begrip.'

'Niets is mij aangenamer dan mensen die ik in mijn hart gesloten heb, een geheel vals beeld van mijzelf voor te spiegelen', schreef hij al in de roman Jakob von Gunten (1909). Walser verdroeg het niet 'iemand' te moeten zijn, hij bleef het liefst onbewust van zichzelf, als een kind dat opgaat in wat het ziet en hoort en ruikt en voelt. Als de mensen zich bij hem aandienden en 'iemand' verwachtten, dan kon hij die 'iemand' alleen maar spelen.

Soms kon hij het niet opbrengen. Dan riep hij, wanneer er aan zijn deur werd geklopt, hartelijk 'Binnen!' en verstopte hij zich in een kast en wachtte totdat het bezoek, niet begrijpend 'niemand' te hebben aangetroffen, teleurgesteld de aftocht blies.

'Versteckspiel' heet dit Repelsteeltjesgedrag in de Walserkunde. Het is verstoppertje spelen, maar ook verstek laten gaan. Zijn hele werk is te beschouwen als een hartelijk 'Binnen!', geroepen door een schrijver die hoopt dat zijn lezers hem niet zullen vinden. Hij wilde wel bestaan, als hij er zelf maar niet bij hoefde te zijn.

Maar omdat dit niet mogelijk was, wilde hij het liefst iets kleins en onderdanigs zijn. Zo ondertekende hij zijn correspondentie nogal eens met 'Robertchen Walserchen', 'Röbeli Wauser', 'Walser Röbi', 'Ihr nicht grosser sondern ganz ganz kleiner und unbedeutender Robert Bären Walser' of 'Ihr allezeit treues Hundeli Robert Walser'. Ook het schrijven duidde hij het liefst als iets onbenulligs aan: 'Schriftstellern' of 'Stückliverfertigen'.

Zijn neiging tot verkleinen leidde zelfs tot zich kleineren, want in zijn verlangen naar onaanzienlijkheid heeft hij geruime tijd als huisknecht bij welgestelden gediend, een ervaring die hij onder andere heeft verwerkt in twee van zijn beste romans, Der Gehülfe (1908) en het klassiek meesterwerkje Jakob von Gunten.

In het laatstgenoemde boek vertelt de hoofdpersoon over zijn opleiding tot bediende. Het is een nogal merkwaardige instelling waar hij wordt ondergebracht: 'Er wordt hier heel weinig geleerd, het ontbreekt aan leerkrachten, en wij jongens van het Instituut Benjamenta zullen het niet ver schoppen, dat wil zeggen, we zullen in ons latere leven allemaal iets kleins en ondergeschikts worden. Het onderwijs dat wij genieten, bestaat er hoofdzakelijk uit ons geduld en gehoorzaamheid bij te brengen, twee eigenschappen die weinig of geen succes beloven.'

De school wordt bestierd door de heer Benjamenta en diens vrouw, die bescheiden en haast onderdanig op de achtergrond blijven. Centraal in het bediendenonderwijs staan de reglementen en voorschriften, veelal mysterieuze en onbegrijpelijke prerogatieven waaraan de leerlingen zich zonder tekst en uitleg moeten houden. Maar juist in het onbegrijpelijke en zinloze van de regels ontdekt Jakob het wezen van het dienen. Te veel piekeren is niet goed, hij moet leren zich te onderwerpen, leren de dingen te aanvaarden zoals ze hem worden opgedragen.

Het onderwijs aan het Instituut Benjamenta is vooral een oefening in deemoed. De voorbeeldige leerling is Jakobs kameraad Kraus, van wie wordt gezegd dat je hem nauwelijks opmerkt en het niet opvalt hoe volmaakt hij je bedient. 'Hij wordt eigenlijk nooit geprezen en haast niemand is hem dankbaar. (...) De persoon Kraus is volstrekt niets, alleen de doener, de uitvoerder Kraus is iets, maar die valt helemaal niet op.'

Over Jakob von Gunten is de heer Benjamenta minder te spreken. 'Want', zegt het bescheiden schoolhoofd, 'jij hebt mij een beetje te veel wilskracht, te veel karakter. En wat ben je trots, Jakob! Wat beeld jij je eigenlijk in? Denk jij in de wijde wereld iets groots te kunnen bereiken? Moet je zo nodig? Heb je serieuze plannen tot iets van betekenis? Je maakt - helaas - op mij bijna een gewelddadige indruk. Of wil je soms misschien louter uit trots heel klein blijven?'

In het verhaal Tobold (1917) keert dit thema, van de wenselijke doch moeilijk te verwerven deemoed, nog eens terug. Maar hier krijgt het een duidelijk motief: de ontgoocheling. 'Hoe moe word je van het leven, als je geen leidende, verheffende gedachten hebt, opvatting noch visie kent om je vriendelijk te verzoenen met de ontgoochelingen die het leven voor je in petto heeft', verzucht Tobold, een ooit veelbelovende jongeman die met een hart vol gevoelens verdwaald is geraakt in de leegte van een onverschillige omgeving en zich erbij neerlegt dat hij 'niet deugt voor iets hoogs in de wereld'. 'Naar roem en dergelijke zaken taalde ik niet meer; het grootse en meeslepende konden me gestolen worden. Ik had liefde opgevat voor het piepkleine en onaanzienlijke, en toegerust met deze vorm van liefde scheen het leven mij mooi, goed en billijk toe. Met vreugde liet ik alle ambitie varen. En op een dag werd ik bediende.'

In alle bediendenverhalen vinden de hoofdpersonen het lang verbeide geluk. 'Je moet iets kunnen uithouden, kunnen verdragen', luidt de levensles in Tobold. 'Door monter, krachtig dulden wordt het leven spelenderwijs licht.' En dankzij dit lijdzaam ondergaan voelen de hoofdpersonen zich het best op hun gemak wanneer ze er niet meer toe doen, wanneer ze alleronderdanigst en -ondergeschiktst mogen dienen. Ze hebben hun plaats leren kennen, ze zijn iets vanzelfsprekends geworden. Soms klopt het hart nog wild onder hun livrei, maar steeds onderwerpen ze zich gezeglijk aan de status quo, want in de onderwerping voelen zij zich veilig, zijn ze vrij van onrust en van angst vooral.

De bedienden van Walser zijn een soort verloren zoons. Ze leefden in dwaling en werden in genade aangenomen door hun heren, die zij vrezen en vereren als vaders. Dit thema komt telkens terug. In het Instituut Benjamenta voelt Jakob zich thuis zoals hij zich nergens thuis heeft gevoeld. En in Der Gehülfe gedraagt de bediende uit de titel zich als een inwonende zoon en ziet hij de heer en mevrouw Tobler als strenge doch milde ouders die hem slechts straffen omdat ze het beste met hem voorhebben.

Als de bediende Joseph op een avond met mevrouw in de kamer zit, doorstroomt hem een warm geluk. Hoe vaak had hij niet door de koude, lege straten gedwaald en opgekeken naar de huizen, waar achter de verlichte ramen andermans gezelligheid heerste. 'Hij was zo oud geweest in zijn jeugd. Hoezeer had hem het besef nergens thuis te zijn verlamd en innerlijk gewurgd!' En nu bevond hij zich zelf in zo'n huis! Wat was de kamer mooi, wat voelde hij zich hier thuis. En de bediende verzucht: 'Wat was het toch mooi om bij iemand te horen.'

In het dienen vindt het oude kind zijn verloren onschuld terug. 'Ik ben eigenlijk nooit kind geweest,' zegt Jakob von Gunten, 'en daarom zal er aan mij, daarvan ben ik overtuigd, altijd iets kinderlijks blijven hangen. Ik ben alleen gegroeid, ouder geworden, maar het wezen is gebleven.'

Het is deze verloren en hervonden onschuld die zo typerend is voor het werk van Walser. Hervonden onschuld, dat is het woord. In al zijn romans en verhalen heeft hij geprobeerd de last van de wereld van zich af te schudden en de onschuld, de naïeveteit terug te vinden. Net als in zijn leven heeft hij er in zijn taal naar gestreefd alle zwaarte af te leggen, en dat is voor iemand die in het Duits moet schrijven een hele kunst. Zijn Duits is dan ook een Walserduits, vol lieve lichte woordjes.

Het grootste onheil wordt in montere, opgewekte zinnen beschreven. Deze ironie van de vorm, deze opgewekte wanhoop, heeft hem in het Duitse taalgebied tot een writer's writer gemaakt. Zo heeft Kafka hem van het begin af aan bewonderd om zijn terloopse toon. Kafka bleef lang een van zijn weinige lezers, en niet lang nadat die stierf (in 1924), hield Walser het voor gezien - al is hier van een oorzakelijk verband geloof ik geen sprake.

Walser kreeg steeds meer weerzin tegen het 'Schriftstellern' en 'Stückliverfertigen'. Hij wilde geen schrijver meer zijn, het stond hem steeds meer tegen om naar buiten te moeten treden. Als ze hem niet meer wilden lezen, nou dan mochten ze hem niet eens meer lezen. Het is de tijd, 1924-25, dat hij zijn 'Geheimschrift' ontwikkelt, de zogeheten Mikrogramme, gesteld in verkleinde stenografie. Deze geschriften zijn lange tijd voor onleesbaar gehouden, tot ze werden 'ontcijferd' door Walsers laatste vriend Carl Seelig, die de geschriften samen met Werner Morlang bij Suhrkamp heeft uitgegeven onder de titel Aus dem Bleistiftgebiet. Het is een enorme verzameling verhalen, verhaaltjes, schetsen en gedichten die Walser in een moordend tempo heeft geschreven - als een laatste ademstoot, want niet lang daarna werden bij hem tekenen van schizofrenie ontdekt en verdween hij in de inrichting, waar hij 29 jaar lang, tot aan zijn dood, zou verblijven.

Om Walsers waanzin is altijd een zweem van geheimzinnigheid blijven hangen. Was hij wel gestoord? Of deed hij alsof, wilde hij opgenomen worden om veilig te zijn, niet meer de last van het leven te hoeven dragen? Uit de Wanderungen mit Robert Walser, waarin Carl Seelig over zijn ontmoetingen met de schrijver vertelt, komt Walser volstrekt niet krankzinnig over. Veelzeggend is een uitspraak die Seelig heeft opgetekend over de 'umnachtete Dichter' Hölderlin. Walser zegt daarover: 'Ik ben ervan overtuigd dat Hölderlin de laatste dertig jaar van zijn leven helemaal niet zo ongelukkig was als de literatuurprofessoren het voorstellen. In een bescheiden hoekje te mogen wegdromen zonder de hele tijd aan eisen te hoeven voldoen, is beslist geen martelaarschap.'

Als patiënt in het verpleegtehuis Herisau in Appenzell Ausserrhoden leidde hij een volstrekt overzichtelijk leven. 's Morgens verrichtte hij kleine corveediensten, na de middag maakte hij een flinke wandeling in de omgeving en 's avonds las hij boeken uit de gestichtsbibliotheek, maar bij voorkeur geen literatuur.

Op een van die wandelingen is hij door een hartaanval getroffen. Hij werd op Eerste Kerstdag 1956 in de sneeuw gevonden, eerst door een hond, later door voorbijgangers.

En ook zijn lezers hebben hem zo gevonden, want er bestaat een foto van. Daarop zie je een voetspoor doodlopen in de sneeuw - en even verderop ligt ie dan, alsof er niets aan de hand is, alsof hij per ongeluk is omgevallen. Zijn hoed is van zijn hoofd gerold. De linkerarm is uitgestrekt, als om 'm te pakken - alsof alles weer goedkwam wanneer hij die hoed gewoon op zijn hoofd kon zetten.

Het werk van Robert Walser wordt uitgegeven door Suhrkamp.