De Jackson-Lipkins van deze wereld

Ik ken persoonlijk geen helden. Mensen, die en public voor helden doorgaan wantrouw ik. Het zijn, vermoed ik, vaak vervelende, monomane ijdeltuiten, het soort mensen dat prat gaat op hun eigen heldhaftigheid. Echte helden zwijgen doorgaans over hun daden.

Er was eens een enigszins legendarische figuur in onze familie, die doorging voor een oorlogsheld. Dat wil zeggen, hij was geen familie van mij, maar een collega van mijn vader, die weleens bij ons over de vloer kwam. Zijn naam was Miles Jackson-Lipkin, later Sir Miles Jackson-Lipkin Q.C. Q.C. is geen oorlogsonderscheiding, maar Queen's Counse,; Sir Miles was advocaat.

Miles Jackson-Lipkin kwam ons opzoeken, ergens in de vroege zestiger jaren, als vertegenwoordiger van de Britse jonge balie. Hij zag er uitermate deftig uit. Een beetje ouderwets misschien, maar toch op en top een Engelse gentleman: een perfect geneden maatpak, een bolhoed en, zijn meest opvallende kenmerk, een fraai met was gekrulde knevel die groeide tot in zijn oren. Hij sprak ook een uiterst gedistingeerd soort Engels, dat men met enige kwade wil geaffecteerd zou kunnen noemen.

Misschien was het allemaal een tikkeltje te perfect, deze ietwat theatrale verschijning. Mijn moeder, die beschikte over een gevoelige sociale antenne, was niet zo door hem gecharmeerd. Zij voelde dat er iets niet pluis was. Maar beleefd als zij was, zal zij er niets van hebben laten merken. Een merkwaardig detail was dat Miles, bij een bezoek aan het museum Boymans van Beuningen, bovenmatig gefascineerd bleek door het werk van Van Meegeren. Hij stond erop De Emmaüsgangers te zien, dat in de kelders was opgeslagen.

Na dat bezoek hoorde mijn vader nog weleens iets van Miles. Hij belde op van Schiphol als hij op doorreis was ergens naartoe. Er werden weleens grappige verhalen verteld over deze merkwaardige snijboon, maar hij is na dat bezoek toch min of meer uit ons oogveld verdwenen.

Totdat ik in 1983 ging wonen in Hongkong. Wie bleek daar namelijk een van de gewichtigste notabelen te zijn? De Lord Chief Justice, Sir Miles Jackson-Lipkin Q.C. Zijn snorrebaard was wat vergrijsd, maar verder was hij precies hetzelfde gebleven. Ik zag hem weleens lopen in de stad. Zelfs in de snikhete zomer was hij altijd gekleed in een dik zwart colbert met streepjesbroek en bolhoed, in de stijl van Londense barristers van een halve eeuw terug. Hij stond ook dikwijls afgebeeld in de high society-roddelrubrieken, samen met zijn Chinese vrouw. Hun aanwezigheid sierde elke deftige partij in de kolonie.

Sir Miles was met de tijd alleen maar deftiger geworden, en bleek, wat ik als jongen niet wist, bovendien een oorlogsheld te zijn geweest. Volgens de Britse Who's Who, de encyclopedie van deftige mensen, had hij de hoogste oorlogsonderscheidingen ontvangen. En hij droeg meen ik ook weleens de stropdas van een beroemd guards regiment dat zich door grote heldenmoed tijdens de oorlog had onderscheiden.

Hij liet zich in Hongkong vervoeren in een prachtige oude Bentley. En niet alleen in Hongkong leefde hij in grote stijl. Onder zijn taken behoorde een regelmatige dienstreis naar Brunei, waar hij een oogje hield op de plaatselijke rechtspleging. Daar liet hij zich rondrijden in een speciale Rolls Royce, getooid met een vaandel met het wapen van zijn familie en zijn ambt. Het was al met al indrukwekkend.

Alweer, een beetje te indrukwekkend misschien. En er was ook weleens kritiek op deze dure poeha. Maar hij was tenslotte een gentleman uit een oud Engels geslacht en bovendien, zoals ik nu wist, een oorlogsheld.

Dat dachten wij tenminste. Totdat wij op een goede morgen de krant openden - mijn vader was toevallig net op bezoek - en een grote kop lazen betreffende Sir Miles Jackson-Lipkin Q.C. En wat bleek? Hij was helemaal geen oorlogsheld, had nooit een onderscheiding ontvangen en was bovendien niet deftig. Zijn vader was een ongetwijfeld nijvere, maar eenvoudige joodse kleermaker geweest, ik meen in Liverpool. Over zijn moeder was niets bekend, behalve dat haar zoon haar familienaam, Lipkin, achter die van zijn vader had geplakt teneinde deftiger te lijken dan hij was. En, waar het eigenlijk om ging, de oorlogsonderscheidingen had hij uit zijn duim gezogen.

Kortom, Jackson-Lipkin had zijn status zelf uitgevonden. Hij had zich geschaard in een illuster gezelschap van sociale oplichters, zoals de meer bekende J.T. Trebitsch-Lincoln, een Hongaar, die in zijn min of meer gefantaseerde carriere rollen heeft gespeeld die varieerden van Britse gentleman tot Buddhistische abt in China. Ik vertelde het verhaal van Jackson-Lipkin eens aan een beroemde joodse wijsgeer, die zei: “Ja, over dergelijke figuren is een mooi anti-semitisch boek te schrijven.”

Toch kan ik een zekere bewondering voor de Jackson-Lipkins van deze wereld niet onderdrukken. Vooral toen ik de reacties zag van mensen die voor zijn ontmaskering nog in de rij hadden gestaan om diner-invitaties van hem te ontvangen. Eén door de tropenzon gebruinde Britse veteraan werd aan de bar van de Hongkong Club zo boos dat hij mij verzekerde hoogstpersoonlijk de oplichter met zijn regimentsdas te zullen opknopen. Dit leek mij hoogst overdreven. Miles Jackson-Lipkin had niemand kwaad gedaan, en voor enig amusement gezorgd. En als er een les te trekken valt uit zijn verhaal, dan wel deze: dat we de pluimen van openbare helden niet al te serieus moeten nemen. Daarom is hij voor mij toch een beetje een held geworden.